ECLI:NL:CBB:2024:203

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
19 maart 2024
Publicatiedatum
14 maart 2024
Zaaknummer
22/179
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 8:54 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep subsidie vaste lasten COVID-19 ongegrond verklaard

De ondernemer heeft verzet ingesteld tegen de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 22 november 2022, waarin zijn beroep tegen het besluit van de minister van Economische Zaken en Klimaat van 9 december 2021 niet-ontvankelijk werd verklaard wegens gebrek aan procesbelang. Dit omdat de minister de subsidie voor het eerste kwartaal van 2021 alsnog heeft toegekend met een besluit van 11 augustus 2022.

De ondernemer stelde dat zijn beroep ook betrekking had op subsidies voor het vierde kwartaal van 2020 en het tweede kwartaal van 2021, waardoor hij nog wel procesbelang zou hebben. Het College oordeelde echter dat het bezwaarschrift en de daaropvolgende besluiten zich uitsluitend richten op het eerste kwartaal van 2021. Daarom werd het verzet ongegrond verklaard en werd de minister niet verplicht proceskosten te vergoeden.

Daarnaast bleek dat de ondernemer meerdere verzoeken tot heroverweging had ingediend voor de afwijzende besluiten over het vierde kwartaal van 2020 en het tweede kwartaal van 2021, waarop de minister nog niet had beslist. Het College overweegt dat vanwege de onduidelijkheid en verwarring die mede door de minister is veroorzaakt, de minister niet mag weigeren deze verzoeken te behandelen op grond van het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zoals bedoeld in artikel 4:6 Awb Pro. De minister moet deze aanvragen inhoudelijk opnieuw beoordelen.

Het College verklaart het verzet ongegrond en benadrukt dat de minister alsnog moet beslissen op de heroverwegingsverzoeken. De uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons op 19 maart 2024.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard, maar de minister moet alsnog inhoudelijk beslissen op de verzoeken tot heroverweging van afwijzende subsidiebesluiten.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 22/179

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 maart 2024 op het verzet van

[naam 1] , handelend onder de naam [naam 2] ,te [plaats] (de ondernemer)
(gemachtigde: [naam 3] )

Procesverloop

De ondernemer heeft verzet gedaan tegen de uitspraak van het College van 22 november 2022 met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dus zonder zitting.
Het verzet is behandeld op de zitting van 28 februari 2024. De ondernemer en de gemachtigde waren daar aanwezig.

Overwegingen

1. Met de uitspraak van 22 november 2022 heeft het College het beroep van de ondernemer tegen het besluit van de minister van Economische Zaken en Klimaat van
9 december 2021 niet-ontvankelijk verklaard. Het College heeft geoordeeld dat de ondernemer geen procesbelang meer heeft bij zijn beroep, omdat de minister met het besluit van 11 augustus 2022 aan de ondernemer is tegemoetgekomen en alsnog voor het eerste kwartaal van 2021 subsidie heeft verleend.
2 De ondernemer heeft in verzet aangevoerd dat hij nog wel procesbelang heeft, omdat het beroep ook betrekking heeft op de voor het vierde kwartaal van 2020 en het tweede kwartaal van 2021 aangevraagde subsidie of in ieder geval geacht moet worden daarop ook betrekking te hebben.
3.1
Het College volgt de ondernemer hierin niet. Hoewel het College begrip heeft voor de in de loop van de bezwaarfase bij de ondernemer ontstane onduidelijkheid en verwarring over de omvang en de reikwijdte van de bezwaarprocedure, blijkt uit de stukken dat het bezwaarschrift alleen gaat over het besluit van 18 maart 2021 waarmee de aanvraag voor het eerste kwartaal van 2021 is afgewezen. Dat geldt ook voor het oorspronkelijke besluit op dat bezwaar van 9 december 2021 en het nadere besluit op bezwaar van 11 augustus 2022.
3.2
Het verzet is daarom ongegrond en de minister hoeft geen proceskosten van het verzet te vergoeden.
4 Hiermee is het echter nog klaar. Uit de stukken blijkt namelijk ook dat de ondernemer de minister enkele keren heeft verzocht om de afwijzende besluiten voor het vierde kwartaal van 2020 en het tweede kwartaal van 2021 te heroverwegen. Op die verzoeken heeft de minister tot nu toe niet beslist en dat zal hij dus alsnog moeten doen. Omdat de onduidelijkheid en de verwarring bij de ondernemer in ieder geval voor een deel het - onbedoelde - gevolg zijn geweest van de communicatie aan de zijde de minister in de bezwaarfase, staat het de minister in dit specifieke geval niet vrij om de verzoeken af te wijzen op de grond dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb. De minister moet de aanvragen opnieuw inhoudelijk beoordelen.

Beslissing

Het College verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, in aanwezigheid van D.A. Bohlmeijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2024.
w.g. T.G.M. Simons w.g. D.A. Bohlmeijer