ECLI:NL:CBB:2023:733
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Last onder dwangsom voor taxivervoer zonder vergunning bevestigd
De staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat legde [naam 1] een last onder dwangsom op wegens het verrichten van taxivervoer zonder vergunning, zoals verboden in artikel 76, eerste lid, van de Wet personenvervoer 2000. Dit besluit werd gehandhaafd na bezwaar en leidde tot beroep bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
Op 6 juni 2022 constateerde een verbalisant van de Koninklijke Marechaussee dat [naam 1] met een gewone auto, niet ingericht als taxi, twee passagiers van Schiphol had opgehaald. Een passagier toonde een WhatsApp-bericht met het telefoonnummer van [naam 1] en een kentekenherkenning. [naam 1] ontkende echter dat hij contact had gehad met de passagiers en stelde dat hij een vriendendienst verleende zonder te weten dat dit strafbaar was.
Het College oordeelde dat de staatssecretaris terecht uitging van de processen-verbaal van de verbalisanten en dat het betoog van [naam 1] onvoldoende grond bood om aan de juistheid van die bevindingen te twijfelen. De overtreding van artikel 76, eerste lid, Wp2000 werd bevestigd. De opgelegde last onder dwangsom werd als niet onevenredig beoordeeld en het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van [naam 1] tegen de last onder dwangsom wegens taxivervoer zonder vergunning wordt ongegrond verklaard.