ECLI:NL:CBB:2023:683
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Beoordeling omzetbepaling voor subsidie vaste lasten COVID-19 op basis van aangifte omzetbelasting
In deze zaak stond centraal de vraag of de minister van Economische Zaken en Klimaat terecht de omzet had vastgesteld op basis van de aangifte omzetbelasting voor de subsidieperiode van de vaste lasten financiering COVID-19.
De onderneming had betoogd dat de wijze van facturering en verwerking van omzet in de boekhouding aanleiding zou moeten zijn voor een uitzondering op deze omzetbepaling. Het College overwoog echter dat de regeling bewust de aangifte omzetbelasting als uitgangspunt neemt om uitvoerbaarheid te waarborgen en administratieve lasten te beperken.
Het College benadrukte dat alleen indien een onderneming niet over haar gehele omzet omzetbelasting betaalt, kan worden afgeweken en gekeken naar de financiële administratie. Deze uitzondering was niet van toepassing in deze zaak.
Daarom was het niet mogelijk om het bedrag van €9.529,-, dat in de subsidieperiode was gefactureerd en opgegeven in de aangifte omzetbelasting, buiten beschouwing te laten. De wijze van facturering vormde geen bijzondere omstandigheid die een uitzondering rechtvaardigde.
Het beroep werd dan ook ongegrond verklaard en de minister werd in het gelijk gesteld.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de minister mag de omzet vaststellen op basis van de aangifte omzetbelasting.