De zaak betreft de afwijzing van een aanvraag voor subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het tweede kwartaal van 2021. De minister wees de aanvraag af omdat deze na de uiterste indieningsdatum van 20 augustus 2021 om 17.00 uur werd ingediend. De onderneming stelde dat de te late indiening te wijten was aan een interne miscommunicatie bij haar accountant, en dat dit niet aan haar te wijten was.
De onderneming voerde aan dat de aanvraag onterecht werd afgewezen en dat er geen duidelijkheid bestond over de gevolgen van een te late aanvraag. Ook stelde zij dat het bezwaar ten onrechte kennelijk ongegrond werd verklaard en dat de minister onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd had gehandeld. Daarnaast verzocht zij om maatwerk vanwege de geringe overschrijding en haar situatie als taxibedrijf in het ziekenvervoer.
De minister stelde dat tijdige indiening de verantwoordelijkheid van de onderneming is en dat de regeling duidelijk voorschrijft dat te late aanvragen worden afgewezen. Er waren geen bijzondere omstandigheden die maatwerk rechtvaardigden. Het College oordeelde dat de afwijzing terecht was, omdat de regeling een dwingende afwijzingsgrond bevat voor te late aanvragen. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel slaagde niet. Het bezwaar was terecht kennelijk ongegrond verklaard, omdat de onderneming geen omstandigheden had aangevoerd die nader onderzoek rechtvaardigden.
Het College concludeerde dat de minister de aanvraag terecht heeft afgewezen wegens niet tijdige indiening en verklaarde het beroep ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.