ECLI:NL:CBB:2022:749

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
7 november 2022
Publicatiedatum
7 november 2022
Zaaknummer
22/2129
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 8:81 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen niet-ontvankelijkverklaring bezwaar subsidie vaste lasten COVID-19

Verzoeker diende een aanvraag in voor subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het vierde kwartaal van 2021. Deze aanvraag werd op 24 februari 2022 afgewezen door de minister van Economische Zaken en Klimaat. Verzoeker maakte bezwaar tegen deze afwijzing, maar dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Verzoeker stelde beroep in tegen deze niet-ontvankelijkverklaring en verzocht om een voorlopige voorziening.

Tijdens de zitting op 31 oktober 2022 werd vastgesteld dat verzoeker een spoedeisend belang had omdat hij zonder de subsidie niet aan zijn financiële verplichtingen kon voldoen. Desondanks was het bezwaar te laat ingediend; de termijn van zes weken liep af op 7 april 2022, terwijl het bezwaar pas op 15 april 2022 werd ontvangen. Verzoeker gaf als reden voor de termijnoverschrijding persoonlijke omstandigheden, waaronder een detentieperiode van ruim tien weken.

Het College oordeelde echter dat deze detentie niet viel binnen de bezwaartermijn en dat de overige persoonlijke omstandigheden geen verschoonbare reden vormden voor de te late indiening. Daarom werd het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding bij het indienen van het bezwaar.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 22/2129
uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 november 2022 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats] , h.o.d.n. [naam 2] , verzoeker

en

de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder

(gemachtigde: mr. M. van den Brink).

Procesverloop

Met het besluit van 24 februari 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker voor subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor de periode oktober tot en met december 2021 afgewezen.
Met het besluit van 22 juli 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker niet-ontvankelijk verklaard.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld (zaaknummer 22/1886). Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het College heeft het verzoek om voorlopige voorziening op 31 oktober 2022 op een zitting behandeld. Aan de zitting hebben deelgenomen verzoeker, en namens verweerder diens gemachtigde en [naam 3] .

Overwegingen

1. Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover in deze uitspraak een oordeel wordt gegeven over de rechtmatigheid van het bestreden besluit, is sprake van een voorlopig oordeel dat het College niet bindt in een eventuele bodemprocedure.
2. Verweerder heeft het bezwaar van verzoeker niet-ontvankelijk verklaard omdat het te laat is ingediend. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen dit besluit en heeft met stukken onderbouwd dat hij oplopende schulden heeft. Zonder de subsidie op grond van de TVL lukt het verzoeker niet meer om aan zijn verplichtingen te voldoen. De voorzieningenrechter ziet hierin voldoende aanleiding om aan te nemen dat verzoeker een spoedeisend belang heeft.
3. In de Awb is het volgende geregeld. De bezwaartermijn bedraagt zes weken (artikel 6:7). Een bezwaarschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de bezwaartermijn van zes weken is ontvangen (artikel 6:9, eerste lid). De bezwaartermijn begint te lopen met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt (artikel 6:8, eerste lid). Is een bezwaarschrift buiten de termijn ingediend, dan is het in beginsel nietontvankelijk. Indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest, kan niet-ontvankelijkverklaring achterwege blijven (artikel 6:11). Dan is de termijnoverschrijding verschoonbaar.
4. Dit betekent het volgende voor de zaak van verzoeker.
5. Het primaire besluit is bekendgemaakt op 24 februari 2022. De bezwaartermijn eindigde dus op 7 april 2022. Verweerder heeft het bezwaarschrift op 15 april 2022 ontvangen. Op die datum heeft verzoeker het elektronisch ingediend. Verzoeker heeft het bezwaarschrift dus niet binnen de daarvoor gestelde termijn van zes weken ingediend. Verweerder heeft verzoeker bij brief gevraagd naar de oorzaak van de te late indiening, maar daar heeft verzoeker niet op gereageerd.
6. Verzoeker heeft in de gronden van zijn verzoek aangevoerd dat hij het bezwaarschrift niet op tijd kon indienen omdat hij ruim 10 weken gedetineerd is geweest. Ter zitting is echter gebleken dat dit in 2021 het geval was en niet tijdens de termijn voor het maken van bezwaar. Gebleken is dat een samenloop van verschillende persoonlijke omstandigheden ertoe hebben geleid dat hij niet op tijd bezwaar heeft gemaakt. Het College heeft begrip voor die omstandigheden, maar die maken die niet dat verzoeker een goede reden had voor de termijnoverschrijding. Deze omstandigheden zijn op zichzelf of in onderling verband niet aan te merken als omstandigheden die het verschoonbaar maken dat de termijn is overschreden. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Verbeek, in aanwezigheid van mr. L.N. Foppen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 november 2022.
J.L. Verbeek L.N. Foppen
Afschrift verzonden aan partijen op: