Uitspraak
– voor zover van belang – het volgende:
1.Voor de overtreding van artikel 3.12, eerste lid, onder a, van het BhdZorg ervoor dat de honden die u huisvest, over voldoende bewegingsruimte beschikken. Dit betekent dat de afmetingen van de verblijven en de beschikbare vloeroppervlakte voor de honden, ten minste moeten voldoen aan de geldende minimumnormen, zoals opgenomen in artikel 12 van Pro het Honden- en kattenbesluit 1999.
2.Voor de overtreding van artikel 3.12, eerste lid, onder b, van het BhdZorg ervoor dat de ruimten waarin u uw honden huisvest, en de daarin gebruikte materialen, zijn aangepast aan de fysiologische en ethologische behoeften van het dier. Dit betekent dat de honden niet belemmerd mogen worden in de uitoefening van hun
3.Voor de overtreding van artikel 3.12, eerste lid, onder e, van het BhdZorg ervoor dat uw honden ten gevolge van de wijze waarop zij zijn gehuisvest, geen onnodige angst en stress ervaren. Dit betekent dat de honden niet langdurig gehouden mogen worden in een beperkte en stimulusarme leefomgeving die leidt tot onnodige angst en stress.
binnen één week, na dagtekening van deze last, te nemen. Vervolgens dient u de overtreding voor al uw honden opgeheven te houden.”
(…)
van het Bhd heeft overtreden. In het standpunt van appellante dat de honden in de benches werden gehouden, juist vanuit een oogpunt van welzijn en op basis van advies van een deskundige, ziet het College – ondanks dat het College niet twijfelt aan de goede intenties van appellante – geen aanleiding om de overtreding van de hiervoor genoemde artikelen gerechtvaardigd te achten. Het College baseert zich hierbij op de verklaringen van [naam 12] , waarin is gesteld dat de wijze waarop appellante de honden in kwestie heeft gehouden, schadelijk voor hen is. Het College kent in dit verband meer waarde toe aan de verklaringen van [naam 12] dan aan de verklaring van [naam 3] van 16 oktober 2019 (en andere door [naam 3] opgestelde verklaringen), omdat het College de mate van deskundigheid van [naam 3] niet kan vaststellen. Voor zover appellante de deskundigheid van [naam 3] heeft willen aantonen door op zitting te verklaren dat de honden die ten tijde van de controles in de benches werden gehouden, nu amper nog in de bench zitten of zijn herplaatst, ziet het College deze enkele stellingen niet als voldoende bewijs, alleen al omdat daarmee niets blijkt over het welzijn van de betreffende dieren en de noodzaak van de door appellante gehanteerde methode destijds.
- verklaart het beroep ongegrond;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 360,- aan appellante te vergoeden;
mr. C.H.R. Mattheussens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
9 augustus 2022.