ECLI:NL:CBB:2022:131
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening TVL Q4 2020 wegens onvoldoende omzetverlies
Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor de Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL) over het vierde kwartaal van 2020, welke door verweerder is afgewezen wegens onvoldoende omzetverlies. Verzoekster maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelt dat er sprake is van een spoedeisend belang vanwege betalingsachterstanden bij schuldeisers. Echter blijkt uit de gegevens van de Belastingdienst en de jaarrekening 2019 dat de omzet in Q4 2019 nihil was, terwijl verzoekster stelt dat een bedrag van €115.000,- aan aandelenverkoop als omzet moet worden beschouwd. Dit bedrag is echter niet als omzet aangemerkt en betreft een kapitaalinjectie voor productontwikkeling.
De wisselende opgaven van omzet in dezelfde periode door verzoekster wekken bovendien twijfel over de juistheid van haar stellingen. De voorzieningenrechter volgt verweerder in zijn standpunt dat verzoekster niet voldoet aan het omzetverliescriterium van ten minste 30%. Daarnaast is het vestigingsvereiste niet definitief beoordeeld, maar voorlopig is geen reden om dit te verwerpen.
Gelet op deze overwegingen wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. Het beroep in de hoofdzaak zal op een aparte zitting worden behandeld.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijk omzetverlies in Q4 2019.