ECLI:NL:CBB:2021:948

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
12 oktober 2021
Publicatiedatum
11 oktober 2021
Zaaknummer
20/405
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep ministerieel besluit afgewezen

Appellante heeft beroep ingesteld tegen een besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 9 maart 2020. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft dit beroep bij uitspraak van 21 juli 2020 niet-ontvankelijk verklaard omdat appellante geen gronden voor haar beroep had ingediend ondanks een herstelmogelijkheid.

Appellante heeft hiertegen verzet ingesteld, dat is behandeld op 22 september 2021. Tijdens het verzet heeft appellante een uittreksel uit het Handelsregister overgelegd, maar dit bevatte geen concrete beroepsgronden waarom het besluit onjuist zou zijn.

Het College overweegt dat een beroepschrift ten minste één concrete beroepsgrond moet bevatten, ook al worden daaraan geen hoge eisen gesteld. Het ontbreken van gronden leidt tot de conclusie dat het beroep niet ontvankelijk is. Het verzet wordt daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.

Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons namens het College van Beroep voor het bedrijfsleven op 12 oktober 2021.

Uitkomst: Het verzet van appellante tegen de niet-ontvankelijkverklaring van haar beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 20/405

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 oktober op het verzet van

Maatschap [naam] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: J.A. Brok).

Procesverloop

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (minister) van 9 maart 2020.
Bij uitspraak van 21 juli 2020 heeft het College met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Appellante heeft tegen deze uitspraak verzet gedaan.
Het verzet is behandeld ter zitting van 22 september 2021. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. De minister is niet verschenen.

Overwegingen

1. Het College heeft het beroep ongegrond verklaard, omdat appellante, na bij griffiersbrief van 18 mei 2020 in de gelegenheid te zijn gesteld om alsnog de gronden van het beroep in te dienen, dat niet heeft gedaan.
2. Het College stelt in verzet voorop dat bij de beoordeling of een beroepschrift de gronden van het beroep bevat, in het algemeen geen hoge eisen worden gesteld aan de wijze waarop de bezwaren tegen het bestreden besluit zijn verwoord. In de regel zal ook van een in het beroepschrift dan wel tijdig naar aanleiding van een geboden herstelmogelijkheid gegeven summiere motivering van het beroep kunnen worden aangenomen dat daarmee is voldaan aan het vereiste van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb. Dit neemt niet weg dat het (aanvullend) beroepschrift wel, hoe summier ook verwoord, ten minste één concrete beroepsgrond dient te bevatten.
3. Het beroepschrift bevatte geen gronden. In verzet is aangevoerd dat de gemachtigde ter aanvulling van het beroepschrift een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel heeft ingezonden. Uit dit uittreksel blijkt echter niet waarom appellante het niet eens is met het besluit van 9 maart 2020. Het College is dan ook van oordeel dat dit alleen onvoldoende is om te kunnen spreken van een beroepsgrond in de zin van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb.
4. Het verzet is ongegrond. Dit betekent dat de uitspraak van 21 juli 2020 in stand blijft.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, in aanwezigheid van F.L. van Haeften, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2021.
w.g. T.G.M. Simons w.g. F.L. van Haeften