Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 januari 2021 in de zaken tussen
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.
Procesverloop
27 januari 2018 (de primaire besluiten) heeft verweerder op grond van de Regeling fosfaatreductieplan 2017 (de Regeling) aan appellante solidariteitsgeldsommen opgelegd van € 1.217,- voor periode 1, van € 1.281,- voor periode 2, van € 2.671,- voor periode 3 en van € 1.877,- voor periode 5.
Overwegingen
7 maart 2018. Op het moment van het doen van deze uitspraak is de tweejaartermijn met meer dan 1 jaar overschreden. Van factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van de behandelingsduur gerechtvaardigd te achten is geen sprake. Uitgaande van een forfaitair tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, heeft appellante daarom recht op een vergoeding van € 1.500,- aan immateriële schade. Vanwege de onderlinge samenhang wordt dat bedrag voor alle zaken gezamenlijk toegekend, waarbij voor de aanvang van de redelijke termijn is uitgegaan van het eerst ingediende bezwaarschrift.
Omdat de behandeling van de bezwaren minder dan een half jaar in beslag heeft genomen, terwijl de behandeling van het beroep meer dan anderhalf jaar heeft geduurd, is de overschrijding volledig toe te rekenen aan het College. Het College zal daarom op de voet van artikel 8:88 van Pro de Awb de Staat der Nederlanden veroordelen tot betaling van € 1.500,- aan appellante.
Conclusie
€ 1.201,50. Daarbij is uitgegaan van 1,5 punt tegen een waarde van € 534,- per punt, betreffende vier of meer samenhangende zaken (wegingsfactor 1,5).
Beslissing
€ 1.201,50;
mr. B. van Dokkum, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
19 januari 2021.
de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.