ECLI:NL:CBB:2021:161

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
16 februari 2021
Publicatiedatum
15 februari 2021
Zaaknummer
17/1399 en 18/2988
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroepen niet-ontvankelijk wegens tegemoetkoming in fosfaatreductieheffingen

Appellant had beroep ingesteld tegen heffingsbesluiten van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit op grond van de Regeling Fosfaatreductieplan 2017. De minister had eerder heffingen opgelegd en bezwaren ongegrond verklaard. Tijdens de zitting bleek dat het geschil vooral ging over welke gronden als fosfaatneutraal moesten worden aangemerkt.

Het College gaf partijen de gelegenheid hun standpunten nader toe te lichten. Vervolgens nam de minister een nieuw besluit waarin hij appellant tegemoetkwam door bonusgeldsommen toe te kennen over vier periodes en een lagere heffing over een vijfde periode. Tevens werd een proceskostenvergoeding toegekend.

Appellant erkende dat hij hierdoor geen belang meer had bij de beoordeling van zijn beroepen. Het College verklaarde de beroepen daarom niet-ontvankelijk. Omdat de minister al proceskosten had vergoed, werd alleen bepaald dat het betaalde griffierecht aan appellant moest worden terugbetaald.

De uitspraak werd gedaan door mr. H.C.P. Venema namens het College van Beroep voor het bedrijfsleven op 16 februari 2021.

Uitkomst: De beroepen van appellant worden niet-ontvankelijk verklaard vanwege tegemoetkoming door verweerder en vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 17/1399 en 18/2988

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 februari 2021 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: mr. E.T. Stevens),
en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. G. Meijerink).

Procesverloop

Bij besluit van 27 mei 2017 heeft verweerder op grond van de Regeling Fosfaatreductieplan 2017 (de Regeling) aan appellant een heffing opgelegd over periode 1 van € 629,-.
Bij besluit van 3 augustus 2017 heeft verweerder het door appellant tegen deze heffing gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij verzamelbesluit van 16 juni 2018 heeft verweerder aan appellant heffingen opgelegd over de periodes 1-5 van onderscheidenlijk € 604,-, € 1.829,-, € 2.304,-, € 2.400,- en € 2.813,-.
Bij besluit van 14 november 2018 heeft verweerder de door appellant tegen de heffingen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Appellant heeft beroep ingesteld tegen de besluiten van 3 augustus 2017 en 14 november 2018.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2020. Appellant en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
Bij besluit van 14 september 2020 heeft verweerder de eerder door hem genomen heffingsbesluiten herroepen en aan appellant over de periodes 1-4 bonusgeldsommen toegekend van onderscheidenlijk € 8,40, € 198,-, € 79,20 en € 138,-. Over periode 5 heeft verweerder aan appellant een heffing opgelegd van € 192,-. Verder heeft verweerder aan appellant een proceskostenvergoeding van € 1.575,- toegekend.

Overwegingen

Tijdens de behandeling van de beroepen van appellant op zitting heeft het College vastgesteld dat partijen alleen verdeeld zijn over de vraag welke gronden van appellant als fosfaatneutraal moeten worden aangemerkt. Het College heeft partijen op de zitting in de gelegenheid gesteld binnen drie weken hun standpunten nader te onderbouwen. Partijen hebben van deze gelegenheid gebruikgemaakt. Vervolgens heeft verweerder op 14 september 2020 een nieuw besluit genomen, waarin hij appellant tegemoetkomt op het punt dat hen verdeeld hield. Appellant erkent dit ook. Appellant heeft dan ook geen belang meer bij een beoordeling van de door hem ingestelde beroepen. De beroepen dienen daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard.
De beroepen zijn kennelijk niet-ontvankelijk.
Omdat verweerder appellant niet alleen tegemoet is gekomen, maar ook een vergoeding voor de door appellant gemaakte proceskosten heeft toegekend bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding meer. Wel dient verweerder nog de door appellant betaalde griffierechten te vergoeden.
Beslissing
Het College
-
verklaart de beroepen niet-ontvankelijk;
- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 338,00 aan appellant dient te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.C.P. Venema, in aanwezigheid van mr. W. Dijkshoorn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2021.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
De griffier is verhinderd de
uitspraak te ondertekenen.