Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 december 2020 in de zaak tussen
Maatschap [naam] , te [plaats] , gemeente [gemeente] , appellante,
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Daarnaast wijst appellante erop dat zij in 2012 tot en met 2014 geconfronteerd is met ziekte onder haar dieren. Er was sprake van Bovine Virus Diarree (BVD). Als gevolg hiervan was sprake van minder jongvee.
Verder zijn op haar bedrijf als gevolg van BVD in de jaren 2013 en 2014 veel dieren dood gegaan, waardoor het aantal dieren op 2 juli 2015 lager was dan in het geval zich geen dierziekte had voorgedaan. Appellante betoogt dat het aantal dieren in het geval zich geen dierziekte zou hebben voorgedaan 128,75 GVE zou zijn geweest in plaats van 116,81 GVE. Bovendien is het zeer aannemelijk dat het hoge aantal doodgeboortes ook het gevolg is van BVD. In dat kader heeft appellante een verklaring van een veearts en een overzicht uit het I&R systeem van alle meldingen van doodgeboortes in 2013 en 2014 overgelegd.
Daarnaast heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de Regeling geen grondslag biedt om tevens de in 2002 door appellante gehouden varkens in de beoordeling te betrekken. Uit artikel 1, aanhef en onder d, van de Regeling volgt dat het referentieaantal wordt vastgesteld aan de hand van het aantal op het bedrijf van de houder geregistreerde vrouwelijke runderen op de peildatum 2 juli 2015. De knelgevallenregeling voorziet er weliswaar in dat in bepaalde bijzondere omstandigheden uitgegaan kan worden van het referentieaantal op een andere datum dan de peildatum 2 juli 2015, maar niet dat bij de vaststelling van dat referentieaantal dan tevens kan worden uitgegaan van andere dieren dan (vrouwelijke) runderen.
Het betoog slaagt niet.
Beslissing
de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.