ECLI:NL:CBB:2020:78
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- T. Pavićević
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen besluit over subsidiabele landbouwarealen voor GLB-betalingen
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit over de uitbetaling van betalingsrechten en vergroeningsbetalingen voor 2018. Het geschil betreft twee percelen, perceel 7 en perceel 143, waarvan de vastgestelde subsidiabele oppervlakten door verweerder kleiner zijn dan opgegeven.
Verweerder heeft bij perceel 7 de perceelsgrens vastgesteld aan de hand van een bomenrij en geoordeeld dat het strookje grond langs de bomenrij niet als blijvend grasland kan worden aangemerkt. Appellante voerde aan dat de perceelsgrens in eerdere jaren anders was vastgesteld en dat de bomenrij buiten het perceel zou staan, maar het College ziet geen aanleiding om aan de huidige constatering te twijfelen.
Bij perceel 143 heeft verweerder vastgesteld dat een deel van het perceel een pad betreft, terwijl appellante dit als braakstrook voor een patrijzenproject bestempelde. Het College oordeelt dat dit deel niet als landbouwareaal kan worden aangemerkt omdat het niet voldoet aan de definitie van bouwland, blijvend grasland of blijvend weiland en er geen landbouwactiviteiten hebben plaatsgevonden.
Het College concludeert dat de betwiste delen van de percelen geen subsidiabele landbouwarealen zijn en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat de betwiste delen geen subsidiabel landbouwareaal zijn.