ECLI:NL:CBB:2020:580
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op fosfaatrechten voor nieuw gestart melkveebedrijf
Appellante exploiteert een melkveehouderij en varkenshouderij en verzocht om een verhoging van haar fosfaatrecht op grond van de startersregeling voor nieuw gestarte bedrijven. De minister stelde het fosfaatrecht vast op basis van de Meststoffenwet en het Uitvoeringsbesluit, waarbij appellante niet voldeed aan de voorwaarden dat zij vóór 2 juli 2015 een omgevingsvergunning had en tussen 1 januari 2014 en 2 juli 2015 was gestart met melkproductie.
Appellante voerde aan dat zij door bijzondere omstandigheden pas kort voor 1 januari 2014 met melken was begonnen en dat de strikte toepassing van de datum onterecht was. Tevens stelde zij dat het fosfaatrechtenstelsel voor haar een individuele disproportionele last opleverde, met aanzienlijke financiële schade.
Het College oordeelde dat de startersregeling strikt moet worden uitgelegd en dat appellante niet voldeed aan de voorwaarden voor een nieuw gestart bedrijf. Het beroep op individuele disproportionele last werd verworpen wegens gebrek aan onderbouwing en omdat het standpunt pas ter zitting werd ingenomen. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard omdat zij niet voldoet aan de voorwaarden voor een nieuw gestart bedrijf en het beroep op individuele disproportionele last niet slaagt.