ECLI:NL:CBB:2020:492

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
28 juli 2020
Publicatiedatum
22 juli 2020
Zaaknummer
17/1706
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep na volledige tegemoetkoming en proceskostenveroordeling

Appellante, v.o.f. Melkveebedrijf, kreeg op grond van de Regeling Fosfaatreductieplan 2017 een solidariteitsgeldsom opgelegd door verweerder, de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Na bezwaar werd dit besluit gehandhaafd, waarna appellante beroep instelde bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

Later heeft verweerder het bezwaar alsnog gegrond verklaard en een bonusgeldsom toegekend, waarmee appellante volledig tegemoet is gekomen. Appellante trok daarop het beroep in onder de voorwaarde dat verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht vergoedt.

Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van belang en veroordeelt verweerder tot vergoeding van de proceskosten van € 1.575,- en het griffierecht van € 333,-. De uitspraak werd gedaan door mr. J.A. Hagen op 28 juli 2020.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/1706

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juli 2020 in de zaak tussen

v.o.f. Melkveebedrijf [naam] , te [plaats] , gemeente [gemeente] , appellante

(gemachtigde: mr. J.G. de Wit),
en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. R.C. Mulder).

Procesverloop

Bij besluit van 27 mei 2017 heeft verweerder op grond van de Regeling Fosfaatreductieplan 2017 (de Regeling) aan appellante een solidariteitsgeldsom opgelegd van € 960,-.
Bij besluit van 29 september 2017 heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het besluit van 27 mei 2017 ongegrond verklaard.
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Appellante heeft nadere stukken ingediend.
Bij besluit van 20 februari 2020 heeft verweerder opnieuw beslist op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 27 mei 2017, dit bezwaar gegrond verklaard en appellante een bonusgeldsom van € 2.024,- toegekend.
Bij brief van 28 februari 2020 heeft appellante het College te kennen gegeven het beroep in te trekken op voorwaarde dat het College verweerder veroordeelt in de door haar gemaakte proceskosten en bepaalt dat verweerder het door haar betaalde griffierecht aan haar betaalt. Bij brief van 16 maart 2020 heeft appellante haar proceskosten gespecificeerd.
Bij brief van 19 maart 2020 heeft het College verweerder in de gelegenheid gesteld om tot en met 9 april 2020 te reageren op de door appellante opgevoerde proceskosten. Verweerder heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.
Met toestemming van partijen is afgezien van een behandeling ter zitting, waarna het College het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft gesloten.

Overwegingen

Bij het besluit van 20 februari 2020 heeft verweerder aan appellante een bonusgeldsom van € 2.024,- toegekend. Hiermee is verweerder appellante volledig tegemoetgekomen. Appellante erkent dit ook. Appellante heeft dan ook geen belang meer bij een beoordeling van het door haar ingestelde beroep. Het beroep dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard. Omdat verweerder appellante tegemoet is gekomen bestaat aanleiding tot een proceskostenveroordeling over te gaan.
Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.
Verweerder dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
Het College
-
verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.575,-;
- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 333,00 aan appellante dient te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Hagen, in aanwezigheid van mr. W. Dijkshoorn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2020.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
De griffier is verhinderd de
uitspraak te ondertekenen.