ECLI:NL:CBB:2020:476

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
21 juli 2020
Publicatiedatum
20 juli 2020
Zaaknummer
19/1423
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring bezwaar wegens termijnoverschrijding ongegrond verklaard

Appellante, een pluimveehouder, had bezwaar gemaakt tegen een besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, maar dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven verklaarde het daarop ingestelde beroep ongegrond. Vervolgens deed appellante verzet tegen deze uitspraak.

Tijdens de zitting werd toegelicht dat de termijnoverschrijding het gevolg was van het late aanleveren van informatie door appellante aan haar gemachtigde, waardoor het bezwaarschrift niet tijdig kon worden ingediend. Ondanks de financiële impact van het besluit op appellante, oordeelde het College dat de huidige wetgeving onvoldoende ruimte biedt voor onvoorziene omstandigheden.

Het College stelde vast dat het bezwaarschrift niet tijdig was ingediend; de uiterste dag was 24 mei 2019, terwijl het bezwaarschrift op 28 mei 2019 werd ontvangen. Appellante slaagde er niet in te bewijzen dat het bezwaarschrift tijdig ter post was bezorgd. De enkele stelling van de gemachtigde dat een faxpoging op 24 mei was mislukt en het bezwaarschrift daarna in een al gelichte brievenbus was gedeponeerd, was onvoldoende. Daarom werd het verzet ongegrond verklaard en bleef de niet-ontvankelijkverklaring in stand.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard vanwege niet tijdige indiening en onvoldoende bewijs van terpostbezorging.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/1423

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2020 op het verzet van

V.O.F. [naam] , te [plaats] , appellante
(gemachtigde: J.A. Brok)

Procesverloop

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (minister) van 31 juli 2019. Bij dat besluit heeft de minister het bezwaar van appellante tegen het besluit van 12 april 2019 niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 21 januari 2020 heeft het College het beroep met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht ongegrond verklaard.
Appellante heeft tegen de uitspraak van 21 januari 2020 verzet gedaan.
Het verzet is behandeld ter zitting van 8 juli 2020. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. De minister heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

Overwegingen

1. Het College heeft het beroep ongegrond verklaard omdat de minister zich in het besluit van 31 juli 2019 terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante met de niet tijdige indiening van het bezwaarschrift in verzuim is geweest.
2. In het verzetschrift is aangevoerd dat in het (aanvullend) beroepschrift duidelijk is aangegeven waardoor de termijnoverschrijding is gekomen. Gelet op de onredelijk grote financiële gevolgen voor deze pluimveehouder van het besluit van 12 april 2020 moet toch inhoudelijk naar de zaak worden gekeken. De huidige wetgeving houdt onvoldoende rekening met onvoorziene omstandigheden. Ter zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat hij nog informatie van appellante nodig had om een goed onderbouwd bezwaarschrift te kunnen opstellen. Door omstandigheden heeft appellante die informatie pas helemaal tegen het einde van de bezwaartermijn aan hem kunnen geven.
3. Het verzet is ongegrond. Niet in geschil is dat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend. De laatste dag waarop tijdig bezwaar kon worden gemaakt was 24 mei 2019. De minister heeft het bezwaarschrift op 28 mei 2019 ontvangen. De envelop waarin het is verzonden draagt het poststempel 27 mei 2019. De gemachtigde heeft gesteld dat hij het bezwaarschrift op 24 mei 2019 via de fax wilde verzenden. Omdat de fax weigerde, heeft hij vervolgens het bezwaarschrift in de brievenbus gedeponeerd. De brievenbus was toen echter al gelicht. Volgens vaste rechtspraak (ook) van het College rust op appellante de bewijslast van de datum van terpostbezorging. In dat bewijs is appellante niet geslaagd. De enkele stelling van de gemachtigde is daarvoor niet toereikend. Wat in verzet verder is aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat appellante niet in verzuim is geweest. Het bezwaar is daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet is geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, in aanwezigheid van mr. T. Kuiper, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2020.
w.g. T.G.M. Simons w.g. T. Kuiper