ECLI:NL:CBB:2019:99
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke uitspraak over invordering dwangsom bij duurzaam financieel onvermogen
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Infrastructuur en Waterstaat tot invordering van een dwangsom van €10.000,- wegens overtreding van artikel 76, eerste lid, van de Wet personenvervoer 2000.
Appellant stelde dat vanwege zijn duurzame financiële situatie onder het bestaansminimum, hij niet in staat zou zijn de dwangsom te betalen en dat het bestuursorgaan hiermee rekening moest houden. Het College verwijst naar eerdere jurisprudentie en de wettelijke achtergrond van artikel 5:37, eerste lid, Awb, en oordeelt dat het bestuursorgaan in beginsel geen rekening hoeft te houden met de draagkracht bij invordering.
Een uitzondering geldt alleen indien evident is dat de overtreder niet in staat is de dwangsom te betalen, hetgeen appellant niet aannemelijk heeft gemaakt. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard. Het College wijst erop dat appellant een betalingsregeling kan aanvragen in de executiefase.
Uitkomst: Het beroep tegen de invordering van de dwangsom van €10.000,- wordt ongegrond verklaard.