Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
[naam 1] AA, te [plaats] , appellant
(gemachtigde: mr. P.H. Kramer),
[naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en [naam 5]( [naam 6] ) ingediend tegen appellant
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Appellant, een accountant, was door de accountantskamer berispt vanwege het niet tijdig teruggeven van de samenstellingsopdracht voor de jaarrekening 2010 van een vennootschap en het niet doen van een melding bij de Financiële Inlichtingen Eenheid (FIU) op grond van artikel 16 van Pro de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft).
De klacht was ingediend door investeerders die grote verliezen hadden geleden door frauduleuze handelingen binnen de vennootschap. De accountantskamer oordeelde dat appellant onvoldoende voortvarend had gehandeld en dat er sprake was van een meldplicht die niet was nageleefd. Appellant voerde in hoger beroep onder meer aan dat het klachtonderdeel over de meldplicht een ontoelaatbare uitbreiding van de klacht was en dat hij niet feitelijk bekend was met de ongebruikelijke transacties.
Het College van Beroep oordeelde dat de accountantskamer terecht binnen de reikwijdte van de klacht was gebleven en dat appellant wel degelijk een vermoeden had van ongebruikelijke transacties, zoals blijkt uit een brief van 3 mei 2013. Het College verwierp de grief dat appellant niet tijdig de opdracht had teruggegeven en bevestigde dat de berisping passend was. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep van de accountant tegen de berisping wegens het niet doen van een melding op grond van art. 16 Wwft en het niet tijdig teruggeven van de opdracht is ongegrond verklaard.