ECLI:NL:CBB:2019:224
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen tuchtrechtelijke aansprakelijkheid voor versturen brief namens plaatsvervangend directeur Belastingdienst
Betrokkene, werkzaam als plaatsvervangend directeur bij de Belastingdienst en ingeschreven als registeraccountant, werd geconfronteerd met een klacht van appellant over een brief die namens haar was verstuurd. Deze brief betrof een standpunt van de Belastingdienst over een incident waarbij appellant een intimiderende houding zou hebben aangenomen.
De accountantskamer verklaarde de klacht ongegrond omdat betrokkene geen feitelijke bemoeienis had met de brief en dus niet tuchtrechtelijk verantwoordelijk kon worden gehouden. Het College van Beroep bevestigde dit oordeel in hoger beroep. Het College stelde vast dat de brief was opgesteld en verstuurd door een teamleider die daartoe mandaat had binnen de Belastingdienst, en dat betrokkene geen mandaat had verleend noch betrokken was bij het opstellen van de brief.
Verder concludeerde het College dat het fundamentele beginsel van professionaliteit weliswaar van toepassing is, maar dat de formele eindverantwoordelijkheid van betrokkene niet leidt tot tuchtrechtelijke verwijtbaarheid zonder feitelijke betrokkenheid. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en betrokkene wordt niet tuchtrechtelijk verantwoordelijk gehouden voor de brief.