ECLI:NL:CBB:2018:528
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- T. Pavićević
- Rechtspraak.nl
Afwijzing extra betaling jonge landbouwers wegens onvoldoende dagelijkse bedrijfsvoering in 2016
Appellante, Maatschap [naam 1], verzocht om een extra betaling voor jonge landbouwers voor het jaar 2016. Verweerder, de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, wees deze aanvraag af omdat de zoon, als jonge landbouwer opgegeven, volgens het handelsregister en de maatschapsakte al vanaf 1 mei 2010 blokkerende zeggenschap had en mede belast was met de dagelijkse bedrijfsvoering. Appellante stelde dat de zoon pas vanaf 1 april 2014 daadwerkelijk zeggenschap had en dat hij daarvoor vooral nevenactiviteiten verrichtte.
Het College stelde vast dat de zoon inderdaad vanaf 1 mei 2010 was toegetreden tot de maatschap en blokkerende zeggenschap had. De regeling biedt weliswaar de mogelijkheid de ingangsdatum van de dagelijkse bedrijfsvoering naar een later moment te verplaatsen indien wordt aangetoond dat de jonge landbouwer op dat moment pas aan de voorwaarden voldoet, zoals het volgen van een dagopleiding of het verrichten van betaalde werkzaamheden elders van minimaal 24 uur per week.
Appellante kon dit niet aannemelijk maken. De zoon had in de periode 2010-2013 slechts 18 tot 20 uur per week betaalde werkzaamheden elders verricht, minder dan de vereiste 24 uur. Ook de overige aangevoerde omstandigheden, zoals cursussen en nevenactiviteiten, konden niet leiden tot een latere ingangsdatum van de dagelijkse bedrijfsvoering. Daarom was de afwijzing van de aanvraag terecht.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de extra betaling jonge landbouwers over 2016 wordt ongegrond verklaard.