ECLI:NL:CBB:2018:378
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen vaststelling subsidiabele hectares en greppels in GLB-betalingsrechten
Appellante betwistte de vaststelling door verweerder van de oppervlakte van enkele percelen die zij in de Gecombineerde Opgave 2016 had opgegeven voor de berekening van haar GLB-betalingsrechten. Verweerder had vastgesteld dat greppels op perceel 7 niet als subsidiabele landbouwgrond konden worden aangemerkt vanwege hun breedte, die het landbouwkundig gebruik belemmert, en de aanwezigheid van ruigte.
Appellante voerde aan dat runderen ook in de greppels graasden, maar dit werd door het College onvoldoende gemotiveerd geacht om het standpunt van verweerder te betwisten. Voor de overige percelen was niet in geschil dat de verschillen in oppervlakte binnen de toegestane 2%-marge per referentieperceel bleven.
Het College oordeelde dat verweerder terecht was uitgegaan van de vastgestelde oppervlakten en dat het beroep ongegrond is. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd mondeling gedaan op 9 juli 2018 door het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen de vaststelling van subsidiabele hectares en greppels is ongegrond verklaard.