ECLI:NL:CBB:2018:364

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
9 juli 2018
Publicatiedatum
20 juli 2018
Zaaknummer
17/1140
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbBesluit proceskosten bestuursrechtUitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen vaststelling oppervlakte subsidiabele hectares en uitbetaling betalingsrechten GLB

Appellante maakte bezwaar tegen de vaststelling van de oppervlakte van enkele percelen die zij had opgegeven in de Gecombineerde Opgave 2016, welke de basis vormde voor de uitbetaling van betalingsrechten en vergroeningsbetaling onder het GLB. Verweerder had bij een wijzigingsbesluit enkele bezwaren van appellante erkend voor percelen 8, 13 en 26, maar niet voor perceel 21 en overige percelen.

Het College oordeelde dat de verschillen in oppervlakte bij de overige percelen binnen de toegestane marge van 2% per referentieperceel vielen en dat verweerder daarom terecht was uitgegaan van de vastgestelde oppervlaktes. Hierdoor was het beroep ongegrond.

Daarnaast werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van appellante, vastgesteld op € 1.002,- conform het Besluit proceskosten bestuursrecht, vanwege het wijzigingsbesluit dat verweerder had genomen naar aanleiding van het beroep.

De uitspraak werd mondeling gedaan op 9 juli 2018 door het College van Beroep voor het bedrijfsleven, enkelvoudige kamer.

Uitkomst: Het beroep tegen het bestreden besluit wordt ongegrond verklaard en verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten van appellante.

Uitspraak

proces-verbaal uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/1140
5111

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2018 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , appellante,

(gemachtigde: ing. H. Scholte),
en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. M.J.W. Boezelman en mr. C. Cromheecke).

Procesverloop

Bij besluit van 17 december 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder het bedrag vastgesteld dat appellante ontvangt aan betalingsrechten (basisbetaling) en vergroeningsbetaling voor 2016 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling).
Bij besluit van 30 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Bij besluit van 29 juni 2018 (het wijzigingsbesluit) heeft verweerder het bestreden besluit gewijzigd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2018.
Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft het College onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan. De beslissing en de gronden van de beslissing luiden als volgt.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Het beroep tegen het bestreden besluit heeft op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van rechtswege mede betrekking op het wijzigingsbesluit.
2.1
Appellante kan zich niet vinden in de vaststelling door verweerder van de oppervlakte van een aantal van de door haar in de Gecombineerde Opgave 2016 opgegeven percelen.
2.2
Niet in geschil is dat verweerder met het wijzigingsbesluit alsnog is tegemoetgekomen aan de bezwaren van appellante ten aanzien van de percelen 8, 13 en 26. Ten aanzien van perceel 21 is door appellante onvoldoende weersproken dat sprake is van verruiging. Wat betreft de overige percelen is niet in geschil dat de verschillen in oppervlakte de 2%-marge per referentieperceel niet overstijgen. Het College is daarom van oordeel dat verweerder terecht is uitgegaan van de juistheid van de oppervlakte van de referentiepercelen. Dit betekent ook dat verweerder voor de uitbetaling terecht is uitgegaan van laatstgenoemde oppervlakte. Aan het inhoudelijke betoog van appellante over de niet goedgekeurde oppervlakte van deze percelen komt het College dan ook niet toe.
3. Het beroep is ongegrond.
4. Nu verweerder naar aanleiding van het beroep het wijzigingsbesluit heeft genomen, veroordeelt het College verweerder in de door appellante gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. J.B.C. van der Veer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2018.
w.g. B. Bastein w.g. J.B.C. van der Veer