ECLI:NL:CBB:2018:245
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag extra betaling jonge landbouwers wegens eerdere zeggenschap landbouwbedrijf
Appellant heeft een aanvraag ingediend voor de extra betaling jonge landbouwers over 2015, welke door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is afgewezen. De minister stelde dat appellant in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag al zeggenschap had over een landbouwbedrijf, waardoor niet werd voldaan aan de voorwaarden van artikel 50 lid 2 van Pro Verordening (EU) nr. 1307/2013.
Appellant voerde aan dat hij pas vanaf 13 februari 2014 zelfstandig landbouwactiviteiten verricht en dat in de periode daarvoor de feitelijke beslissingsbevoegdheid bij zijn vader lag. Hij stelde dat hij niet voldeed aan de eis van dagelijkse bedrijfsvoering in die periode. Het College onderzocht de regelgeving omtrent jonge landbouwers en de criteria voor daadwerkelijke, langdurige zeggenschap.
Uit de Kamer van Koophandel bleek dat appellant vanaf 1 januari 2005 was toegetreden tot een maatschap en dat hij blokkerende zeggenschap had. Gecombineerde opgaven toonden aan dat appellant in de jaren 2009-2013 gemiddeld 38 uur per week op het bedrijf werkte, terwijl zijn vader minder uren werkte. Dit duidt erop dat appellant mede belast was met de dagelijkse bedrijfsvoering en daarmee eerder dan vijf jaar voor de aanvraag al langdurige zeggenschap had.
De omstandigheid dat appellant daarnaast meer dan 24 uur per week elders in loondienst was, leidt niet tot een ander oordeel. De beleidsregel voorziet niet in een uitzondering voor dergelijke situaties. Daarom is het beroep ongegrond verklaard en is de afwijzing van de aanvraag terecht.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag extra betaling jonge landbouwers is ongegrond verklaard.