ECLI:NL:CBB:2017:433
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking taxivergunning wegens beëindiging aansluiting bij toegelaten taxi organisatie
Appellant was taxichauffeur en beschikte over een taxivergunning voor het aanbieden van taxivervoer op de Amsterdamse opstapmarkt. Op 12 september 2016 werd zijn aansluiting bij een toegelaten taxi organisatie (TTO) beëindigd, waardoor hij niet meer voldeed aan de vereisten van de Taxiverordening Amsterdam 2012.
Verweerder trok daarop de taxivergunning van appellant in op grond van artikel 2.17, tweede lid, van de Taxiverordening, omdat appellant niet langer was aangesloten bij een TTO. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit bezwaar werd ongegrond verklaard. Vervolgens stelde appellant beroep in bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
Appellant voerde aan dat het rapport van bevindingen onjuist was en dat hij onterecht werd geconfronteerd met maatregelen via de TTO, zonder directe bestuursrechtelijke rechtsbescherming. Het College oordeelde echter dat de wetgever een imperatieve bevoegdheid aan het college heeft gegeven om de vergunning in te trekken bij beëindiging van de aansluiting bij een TTO, zonder ruimte voor belangenafweging.
Daarnaast erkende het College dat appellant de mogelijkheid heeft om civielrechtelijke procedures tegen de TTO te voeren en dat dit voldoet aan het recht op toegang tot de rechter zoals neergelegd in artikel 6 EVRM Pro. Artikel 13 EVRM Pro biedt geen aanvullende bescherming. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van appellant tegen de intrekking van zijn taxivergunning wordt ongegrond verklaard.