Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
(gemachtigde: mr. R. Scholten),
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Appellante, een melkveebedrijf, kreeg een bestuurlijke boete opgelegd wegens overschrijding van de gebruiksnormen voor dierlijke meststoffen en stikstof in 2011. De boete was gebaseerd op het niet meetellen van een perceel bij Borgsweer als landbouwgrond, omdat dit perceel volgens de staatssecretaris niet als zodanig was ingericht en appellante er geen exclusieve zeggenschap over had.
De rechtbank oordeelde dat het perceel geen landbouwgrond was, mede vanwege de industriële bestemming, het feitelijke gebruik als voorraadgrond voor nieuwbouw en het ontbreken van beweiding of bemesting. Appellante stelde in hoger beroep dat het perceel wel degelijk als landbouwgrond moest worden aangemerkt omdat er gras groeide en balen hooi werden geoogst.
Het College overwoog dat de definitie van landbouwgrond inhoudt dat daadwerkelijk landbouw moet worden uitgeoefend. Het perceel was eigendom van Groningen Seaports, had een industriële bestemming en werd onderhouden zonder landbouwkundige activiteiten gericht op teelt. Het maaien van gras en het oogsten van hooi waren onvoldoende om het perceel als landbouwgrond te kwalificeren.
Daarom was het terecht dat het perceel buiten beschouwing werd gelaten bij de berekening van de gebruiksnormen, en was de boete terecht opgelegd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de bestuurlijke boete bevestigd.