Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
Stichting Autoriteit Financiële Markten (AFM), te Amsterdam,
[naam] RA ( [naam] ), te [plaats] ,
Procesverloop in hoger beroep
23 november 2012, met nummer 11/1300 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2012:YH0327). Dit hoger beroep is bij het College geregistreerd onder zaaknummer 13/6.
Grondslag van het geschil en uitspraak van de accountantskamer
balanspost kredieten,
oninbare kredieten,
deelnemingen aan DSB Beheer,
jaarrekening,
zich op grond van artikel 25 Wta Pro en artikel 35 van Pro het Besluit toezicht
accountantsorganisaties (Bta) had moeten houden, en daarvan in het bijzonder
die welke neergelegd zijn in en steunen op hoofdstuk A-130 van de
Verordening Gedragscode RA’s (VGC), niet (voldoende) nageleefd, en
Beoordeling van het geschil in hoger beroep
Beoordeling door het College
Bestreden uitspraak
Grieven [naam]
Beoordeling door het College
Wat betreft het tweede punt, het verzuim te beoordelen wat de invloed is op de controle van de post kredieten van de constatering bij de uitgevoerde lijncontrole dat een arbeidsovereenkomst van een klant ontbrak, deelt het College het oordeel van de accountantskamer dat als bij de uitgevoerde lijncontrole is geconstateerd dat er een stuk ontbrak en daarbij wordt vermeld dat het niet had mogen ontbreken, deze constatering zinloos wordt als niet vervolgens onder ogen wordt gezien wat het effect is of kan zijn van deze constatering. Voorts constateert het College met de accountantskamer dat er weliswaar andere documentatie aanwezig is, maar dat de gevolgtrekkingen die hieraan konden worden verbonden niet in het controledossier zijn vastgelegd. De accountantskamer heeft deze verwijten terecht gehonoreerd.
Bestreden uitspraak
Beoordeling door het College
8 mei 2008 door een senior acceptant van de afdeling Acceptatie en Controle werd geaccordeerd. De stelling van [naam] , zoals verwoord in overweging 4.6.4 van de bestreden uitspraak, dat de afdeling Bancaire Processen offertes verstuurt onder voorbehoud van goedkeuring door een andere afdeling, is derhalve onjuist. Het plaatsen van de handtekening door de betreffende medewerkster op de offerte moet worden geacht de ondertekening namens DSB te zijn waarmee de kredietovereenkomst tot stand komt. Van een vrijblijvende offerte onder voorbehoud van definitieve goedkeuring door DSB, zoals [naam] stelt, is geen sprake geweest. Met het zenden van een e-mailbericht aan het hoofd van de afdeling Bancaire Processen met de vraag van wie de handtekening is die door DSB op het contract is neergezet, is naar het oordeel van het College niet zeker gesteld dat er binnen deze beheersingsmaatregel in een passende bevoegdheidsmaatregel was voorzien. Gezien het feit dat de lijncontrole werd uitgevoerd om de werking van de interne beheersingsmaatregelen in het kader van de functiescheiding vast te stellen en duidelijk was dat er geen vastlegging op voorhand was waaruit kon blijken dat de betreffende medewerkster bevoegd was om namens DSB een offerte, of beter gezegd een overeenkomst tot hypothecaire geldlening, te ondertekenen, had [naam] (of zijn medewerker uit het opdrachtteam), nadat de bevestiging van het afdelingshoofd was ontvangen, verder onderzoek moeten verrichten, bijvoorbeeld door een bevoegdhedenmatrix op te vragen of door vast te leggen dat een dergelijk document niet aanwezig was.
Bestreden uitspraak
Grief [naam]
Beoordeling door het College
Bestreden uitspraak
Grieven [naam]
Beoordeling door het College
Bestreden uitspraak
Grief [naam]
Beoordeling door het College
Bestreden uitspraak
Grieven [naam]
Grief AFM
Beoordeling door het College
Bestreden uitspraak
Grieven [naam]
Beoordeling door het College
Bestreden uitspraak
Grieven [naam]
Beoordeling door het College
Bestreden uitspraak
Grief AFM
Beoordeling door het College
Bestreden uitspraak
Grieven AFM
Beoordeling door het College
Bestreden uitspraak
Grief AFM
Beoordeling door het College
Bestreden uitspraak
Grieven [naam]
Beoordeling door het College
Bestreden uitspraak
Grief AFM
Beoordeling door het College
Bestreden uitspraak
22 juni 2009 gesignaleerde onzekerheden waarvan een positieve of negatieve invloed kan uitgaan op de hoogte van de noodzakelijke voorziening) betoogd dat klaagster kennelijk over het hoofd heeft gezien dat de gesignaleerde onzekerheden zwakke punten betreffen in een te maken berekening van de benodigde voorziening op basis van ‘expected loss’, terwijl deze schattingsmethodiek nog niet was ingevoerd en de feitelijk getroffen voorziening op een andere wijze was berekend. Klaagster heeft deze reactie niet weersproken. Daarom moet worden geoordeeld dat deze eerste twee verwijten ongegrond zijn.”
Grief AFM
Beoordeling door het College
Bestreden uitspraak
Grieven [naam]
Grief AFM
Beoordeling door het College grieven [naam] en AFM
22 juni 2009, getiteld “Kredietvoorziening DSB Bank per 31 december 2009”, noch uit het controledossier. Gelet hierop heeft de accountantskamer terecht geoordeeld dat [naam] is tekortgeschoten in de vastlegging van controlewerkzaamheden.
Bestreden uitspraak
Grieven [naam]
Beoordeling door het College
(-) de twijfels over de betaalcapaciteit van DSB Beheer volgend uit de notitie van Finance & Control,
– paragraaf 59 van IAS 39 in aanmerking nemend – voor de beoordeling van dit klachtonderdeel als norm geformuleerd dat, indien er objectieve aanwijzingen zijn voor bijzondere waardevermindering van de totale vordering, de accountant moet nagaan of er voldoende zekerheden zijn gevestigd voor de terugbetaling van de vordering en wat de geschatte waarde van die zekerheden is en geoordeeld dat die aanwijzingen er niet waren. Dat AFM in reactie hierop in hoger beroep gemotiveerd betoogt dat de accountantskamer toetsend aan bedoelde norm ten onrechte tot dit oordeel is gekomen, merkt het College niet aan als een uitbreiding van de klacht.
Uit het verweerschrift blijkt vervolgens dat betrokkene waar het gaat om de vaststelling van de juistheid en volledigheid van wat klaagster noemt “alle vorderingen, schulden en transacties met verbonden partijen”, heeft gesteund op een groot aantal daarin opgesomde controlemaatregelen en op de bevestigingen neergelegd in de zogeheten Letter of representation (Lor) afkomstig van het bestuur van DSB, van de volledigheid van de verstrekte informatie met betrekking tot de identificatie van verbonden partijen, en daarnaast op de toereikendheid van de interne vastlegging en de verwerking en/of toelichting in de jaarrekening van de namen van en de saldi met alle verbonden partijen, inclusief de eventueel met of tussen hen verrichte transacties.
De Accountantskamer is van oordeel dat de van betrokkene te vergen professioneel-kritische instelling evenals de eis dat een controle-opdracht met voldoende diepgang wordt uitgevoerd, meebrengen dat hij had vastgelegd op welke controlemaatregelen hij bij de controle van de juistheid en volledigheid van (de vastlegging in de jaarrekening van) alle transacties met verbonden partijen heeft gesteund. In zoverre is dit klachtonderdeel terecht voorgedragen.”
Voor zover dit klachtonderdeel inhoudt dat betrokkene toetsbaar had moeten vaststellen dat de transacties met verbonden partijen hebben plaatsgevonden op marktconforme voorwaarden, faalt het evenzeer. Ook hier geldt dat de toepasselijke beroepsregels niet voorschrijven dat er altijd (mede) onderzoek moet worden gedaan naar de marktconformiteit van de voorwaarden waaronder de transacties met verbonden partijen hebben plaatsgevonden en de relaties met deze partijen zijn vorm gegeven. Die verplichting is er slechts als daartoe een concrete aanleiding is. Dat die er was, is gesteld noch gebleken. Daarbij onderkent de Accountantskamer dat betrokkene kennelijk wel onderzoek heeft gedaan naar de marktconformiteit van enkele transacties.”
AFM stelt dat [naam] in zijn memo weliswaar allerlei vaststellingen doet, maar nalaat te beschrijven welke controlewerkzaamheden hij daarvoor heeft verricht en wat het effect daarvan is op de continuïteitsveronderstelling. Ook besteedt hij volgens AFM op geen enkele wijze aandacht aan de risico’s die in de controle spelen, zoals de gevolgen van de kredietcrisis, de onderzoeken van AFM en DNB, de klachten van cliënten en de negatieve berichtgeving daarover, de gebrekkige interne beheersing en het sterk leunen op de spaartegoeden en leenfaciliteit van de ECB. Het memo getuigt er volgens AFM van dat [naam] de continuïteitsveronderstelling onvoldoende heeft gecontroleerd en geëvalueerd.