ECLI:NL:CBB:2015:208
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- R.R. Winter
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke handhaving wegens overtreding Gezondheids- en welzijnswet voor dieren
Appellant werd door verweerder een last onder bestuursdwang opgelegd wegens slechte leefomstandigheden van honden op zijn erf, in strijd met artikel 36 en Pro 37 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (Gwwd). Na bezwaar en beroep handhaafde verweerder de besluiten en bracht kosten in rekening voor de opvang van de honden.
Het geschil betrof de vraag of appellant als houder van de dieren kon worden aangemerkt. Verweerder baseerde zich op verklaringen van de moeder en zoon van appellant en een kennis, die bevestigden dat appellant verantwoordelijk was voor de dieren. Appellant stelde dat hij de dieren niet bezat en slechts sporadisch aanwezig was.
Het College oordeelde dat de verklaringen van verweerder voldoende overtuigend waren en dat appellant niet slaagde in het aantonen van het tegendeel. De overtredingen van de Gwwd waren vastgesteld en appellant was terecht als houder aangemerkt. De last onder bestuursdwang en de kostenbesluiten werden daarom gehandhaafd.
De beroepen werden ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het College verklaart de beroepen van appellant ongegrond en bevestigt de last onder bestuursdwang en kostenbesluiten.