ECLI:NL:CBB:2014:297

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
25 juli 2014
Publicatiedatum
7 augustus 2014
Zaaknummer
AWB 13/291
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 73 Verordening (EG) nr. 1122/2009Art. 28 Verordening (EG) nr. 1122/2009
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gegrondverklaring beroep tegen extra korting op GLB-bedrijfstoeslag wegens onjuiste oppervlakteperceel

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Economische Zaken waarin een extra korting werd toegepast op zijn bedrijfstoeslag 2012 vanwege een afwijking in de oppervlakte van perceel 2. Verweerder had de oppervlakte van dit perceel vastgesteld op 2,94 hectare, terwijl appellant 4,14 hectare had opgegeven.

Het College oordeelt dat verweerder in eerdere jaren een te grote oppervlakte heeft gehanteerd door een deel van het perceel van de buurman ten onrechte bij appellants perceel te rekenen. Appellant heeft dit niet gecorrigeerd, maar het College acht de vastgestelde oppervlakte van 2,94 hectare in 2012 correct.

Ten aanzien van de extra korting van € 812,18 stelt appellant dat hem geen schuld treft omdat de onjuiste opgave is gebaseerd op door verweerder verstrekte informatie. Het College concludeert dat appellant niet bewust was van de fout en dat het redelijk is dat hem geen schuld wordt toegerekend. Daarom moet de extra korting vervallen.

Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het primaire besluit herroepen voor zover het een extra korting betreft. Verweerder moet het betaalde griffierecht vergoeden.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de extra korting op de bedrijfstoeslag 2012 wordt herroepen.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 13/291
5101

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juli 2014 in de zaak tussen

[naam], te [plaats], appellant

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. L. van der Meulen).

Procesverloop

Bij besluit van 4 januari 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder de bedrijfstoeslag van appellant voor het jaar 2012 vastgesteld op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (de Regeling).
Bij besluit van 27 maart 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard.
Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 april 2014. Appellant is in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1 Appellant heeft met zijn Gecombineerde Opgave 2012 uitbetaling van zijn toeslagrechten aangevraagd en hiervoor 5 gewaspercelen, waaronder perceel 2, met een totale oppervlakte van 20.40 ha opgegeven. Appellant heeft voor 2012 perceel 2 opgegeven met een oppervlakte van 4.14 ha.
1.2 Bij het primaire besluit heeft verweerder de goedgekeurde oppervlakte van perceel 2 bepaald op 2.94 ha. Verweerder heeft appellants bedrijfstoeslag 2012 vastgesteld op
€ 6.038,95 na aftrek van een korting van € 1.374,78 in verband met een afwijking in de oppervlakte van 1.23 ha. en een sanctie van twee maal die afgekeurde oppervlakte. In het bestreden besluit is de afwijking in de oppervlakte lager vastgesteld op 1.09 ha, en is de bedrijfstoeslag - na aftrek van een sanctie van twee maal die afgekeurde oppervlakte ter hoogte van € 812,18 - vastgesteld op € 6.178,85.
2.
In geschil is of verweerder de subsidiabele oppervlakte van perceel 2 juist heeft vastgesteld en of hij terecht een extra korting van € 812,18 heeft toegepast op de bedrijfstoeslag van appellant.
3.1
Appellant stelt dat verweerder de oppervlakte van perceel 2 te klein heeft vastgesteld. Verweerder diende voor de subsidiabele oppervlakte uit te gaan van de door appellant opgegeven oppervlakte.
3.2
Verweerder stelt dat de subsidiabele oppervlakte van appellants percelen is vastgesteld na een administratieve controle als bedoeld in artikel 28 van Pro Verordening (EG) nr. 1122/2009. Deze vaststelling heeft plaatsgevonden door de door appellant opgegeven oppervlakte te vergelijken met de in het systeem voor referentiepercelen geregistreerde oppervlaktes, de zogenaamde AAN-laag. Voor een grotere vaststelling van de geconstateerde oppervlaktes is geen plaats. Dat verweerder de oppervlakte van perceel 2 in eerdere toeslagjaren onjuist heeft vastgesteld neemt niet weg dat hij nu gehouden is om de oppervlakte hiervan juist vast te stellen.
3.3
Het College komt tot de volgende beoordeling.
Vast staat dat verweerder in eerdere jaren is uitgegaan van een onjuiste oppervlakte van perceel 2. Ter zitting is gebleken dat verweerder in 2009 perceel 2 onjuist heeft ingetekend op de bedrijfskaart door hierbij een perceel van de buurman te betrekken, terwijl dat niet behoort tot appellants bedrijf. Appellant heeft dat niet gecorrigeerd op de bedrijfskaart. Vanaf 2009 heeft verweerder hierdoor de oppervlakte van perceel 2 te groot vastgesteld op 4.14 ha. Dat verweerder de oppervlakte van dit perceel in 2012 heeft gecorrigeerd en kleiner heeft vastgesteld acht het College dan ook juist. Het College ziet daarbij in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding voor de conclusie dat verweerder de oppervlakte van dit perceel onjuist zou hebben vastgesteld op 2.94 ha. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.1
Appellant betoogt daarnaast dat verweerder gelet op artikel 73, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1122/2009 ten onrechte een sanctie in de vorm van een extra korting heeft toegepast op de vaststelling van zijn bedrijfstoeslag. Appellant treft geen schuld aan de onjuistheid van de aanvraag, nu deze is gebaseerd op door verweerder verschafte informatie. Verweerder heeft de bij de buurman in gebruik zijnde grond immers in eerdere jaren op het overzicht van gewaspercelen ingetekend bij appellants perceel 2. Op die manier is perceel 2 steeds te groot weergegeven op dat overzicht. Appellant betwist echter dat hij een deel van het perceel ten onrechte heeft opgegeven.
4.2
Verweerder stelt dat appellant vanaf 2010 een derde deel van het perceel met balpen buiten de intekening heeft gelaten, maar heeft verzuimd om de oppervlakte hiervan op de lijst gewaspercelen in mindering te brengen op de oppervlakte van perceel 2. Appellant heeft daardoor zelf schuld aan de onjuiste opgaaf zodat zijn beroep op artikel 73, eerste lid, voornoemd niet slaagt.
4.3
Het College overweegt als volgt. Vast staat dat de oppervlakte van perceel 2 te hoog is opgegeven. Een onjuiste opgave leidt op grond van de van toepassing zijnde bepalingen van Verordening (EG) nr. 1122/2009 in de regel tot een verlaging van de bedrijfstoeslag in de vorm van een extra korting. Daarop kon verweerder in dit geval alleen een uitzondering maken indien appellant zou kunnen bewijzen dat hem geen schuld treft.
Vast staat dat verweerder in eerdere jaren zelf voor perceel 2 een oppervlakte hanteerde van 4.14 ha. Blijkbaar heeft verweerder niet eerder ontdekt dat het verschil in oppervlakte tussen de opgegeven oppervlakte en het ingetekende perceel kon worden verklaard doordat op het kaartmateriaal een deel van het perceel van de buurman ten onrechte bij appellants perceel was inbegrepen. Het College heeft, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, geen aanwijzingen dat appellant zich hiervan bewust is geweest. Ook overigens kan, gezien de omstandigheden van dit specifieke geval, niet in redelijkheid worden staande gehouden dat appellant schuld treft aan de onjuiste vermelding van de oppervlakte van perceel 2 op de gewaspercelenlijst, waarvan de oorzaak pas na enkele jaren kon worden opgehelderd. Deze beroepsgrond van appellant slaagt. De extra korting van € 812,18op appellants bedrijfstoeslag dient daarom te vervallen.
5.
De conclusie is dat het beroep gegrond is. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Gelet op rechtsoverweging 4.3 ziet het College bovendien aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit te herroepen voor zover hierbij een extra korting is toegepast op de bedrijfstoeslag van appellant.
6.
Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is het College tot slot niet gebleken.

Beslissing

Het College:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- herroept het primaire besluit voor zover hierbij een extra korting is toegepast op de bedrijfstoeslag 2012 van appellant;
- bepaalt dat zijn uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit;
- bepaalt dat verweerder aan appellant het door hem betaalde griffierecht van € 160,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk in aanwezigheid van mr. C.M. Leliveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2014.
w.g. C.J. Waterbolk w.g. C.M. Leliveld