ECLI:NL:CBB:2014:290

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
22 juli 2014
Publicatiedatum
6 augustus 2014
Zaaknummer
AWB 14/70
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Rechters
  • R.F.B. van Zutphen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 WinkeltijdenwetArt. 3:2 AwbArt. 5:37 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen dwangsom wegens overtreding Winkeltijdenwet na 22.00 uur

Appellante exploiteert een vestiging die zij op 6 september 2013 tot middernacht wilde openen zonder ontheffing van de Winkeltijdenwet. Verweerders legden een last onder dwangsom op omdat omstreeks 22.30 uur twee personen de winkel betraden, wat volgens hen een overtreding was van het verbod om na 22.00 uur open te zijn voor publiek.

Appellante betwistte de overtreding en stelde dat de winkel vanaf 22.00 uur gesloten was voor publiek en dat de twee personen bekenden van een personeelslid waren, geen klanten. Verweerders baseerden hun besluit op een toezichtsrapport zonder nader onderzoek naar de aard van deze bezoekers.

Het College oordeelde dat verweerders onvoldoende hadden gemotiveerd dat sprake was van overtreding, omdat de toezichthouder niet had onderzocht waarom de personen binnenkwamen. Het beroep werd gegrond verklaard, het dwangsombesluit vernietigd en verweerders werden veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het dwangsombesluit vernietigd omdat de winkel na 22.00 uur gesloten was voor publiek en de binnengekomen personen geen klanten waren.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 14/70
12500

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juli 2014 in de zaak tussen

[naam 1] B.V., te [plaats 1], appellante

(gemachtigde: Tj. P. Grünbauer),
en

burgemeester en wethouders van Zwolle, verweerders

(gemachtigde: H. Vervuurt).

Procesverloop

Bij besluit van 13 september 2013 hebben verweerders besloten om een wegens overtreding van het verbod van artikel 2, eerste lid, van de Winkeltijdenwet verbeurde dwangsom te innen. Bij besluit van 10 december 2013 heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard.
Appellante heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank Overijssel. De rechtbank heeft het beroep ter behandeling doorgezonden aan het College. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2014. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Voor appellante zijn tevens verschenen
[naam 2] en [naam 3] en voor verweerder A.A. Verhagen.

Overwegingen

1.1 Appellante heeft een vestiging aan de [adres] te [plaats 2]. Zij had het plan opgevat om deze vestiging op vrijdag 6 september 2013 tot middernacht voor het publiek open te stellen. Omdat appellante geen ontheffing van artikel 2, eerste lid, onder c, van de Winkeltijdenwet heeft, en zij dus na 22.00 uur gesloten moet zijn, hebben verweerders bij besluit van 5 september 2013 appellante gesommeerd om de vestiging in de nacht van
6 september 2013 tussen 22.00 en 06.00 uur voor het publiek gesloten te houden, onder oplegging van een preventieve last onder dwangsom van € 10.000,-.
1.2 Een toezichthouder van verweerders heeft op 6 september 2013 geconstateerd dat omstreeks 22.30 uur twee personen de vestiging binnen gingen.
2.
Volgens verweerders houdt dit een overtreding van de last in en is de dwangsom op basis van deze constatering verbeurd. Zij hebben de dwangsom ingevorderd op grond van artikel 5:37 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.
Appellante vindt dat zij de last niet heeft overtreden en motiveert dit – voor zover relevant – als volgt. Op 6 september 2013 zijn naar aanleiding van de last de deuren om 22.00 uur op slot gegaan, waarna met de aanwezige klanten verder is gesproken maar geen nieuwe klanten zijn toegelaten. Rond 22.30 uur zijn twee personen die bekenden van een personeelslid waren, binnen gelaten. Verklaringen van bezoekers bevestigen deze gang van zaken. Ten onrechte heeft de toezichthouder niet onderzocht of het hier ging om ‘publiek’ in de zin van artikel 2 van Pro de Winkeltijdenwet. Om die reden hebben verweerders bij de voorbereiding van het besluit in strijd met artikel 3:2 Awb Pro niet de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen vergaard.
4.1 Verweerders hebben toegelicht dat het is toegestaan om met klanten die vóór 22.00 uur de winkel hebben betreden ook na dat tijdstip (verder) te onderhandelen, of om na dat tijdstip bonnen uit te schrijven, maar niet om na 22.00 uur bezoekers tot de winkel toe te laten. Dat het zou gaan om bekenden van een werknemer doet hieraan niet af. Naar normaal spraakgebruik moet onder ‘publiek’ immers worden verstaan ‘bezoekers’. Voorts hebben verweerders toegelicht dat een toezichthouder niet verplicht is te onderzoeken welke betrekkingen bezoekers eventueel met een werknemer hebben.
5.
Het College is van oordeel dat appellante de last niet heeft overtreden. Het College overweegt daartoe dat vaststaat dat de winkel vanaf 22.00 uur gesloten was voor publiek en dat aannemelijk is dat de twee personen die na 22.00 uur de winkel betraden geen klanten waren, maar bekenden van een werknemer die naar de vestiging kwamen om haar te bezoeken. Dit blijkt uit verklaringen van de vestigingsmanager van appellante en van in de vestiging nog aanwezige klanten. Verweerders hebben weersproken dat deze personen geen klanten waren en hebben zich daartoe gebaseerd op het toezichtsrapport. Nu de toezichthouder echter heeft nagelaten te onderzoeken wat deze personen kwamen doen en waarom zij de vestiging binnen gingen, is die weerspreking naar het oordeel van het College onvoldoende gemotiveerd. Onder deze omstandigheden hebben verweerders ten onrechte besloten dat appellante de last heeft overtreden en hebben zij ten onrechte de dwangsom geïnd.
6.
Het beroep is gegrond. Het College ziet aanleiding om verweerders op grond van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep gemaakte koste. Op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de kosten voor verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 974,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1 en een waarde per punt van € 487,-).

Beslissing

Het College:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het besluit van 10 december 2013;
  • herroept het besluit van 13 september 2013;
  • veroordeelt verweerders in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 974,-;
  • bepaalt dat verweerders het door appellante betaalde griffierecht ad € 318,- vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.F.B. van Zutphen, in aanwezigheid van mr. E. van Kerkhoven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2014.
w.g. R.F.B. van Zutphen w.g. E. van Kerkhoven