ECLI:NL:CBB:2013:BZ7845
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bedrijfstoeslag 2010 wegens opzettelijk onjuiste perceelsopgave
Appellante, een landbouwer, diende een aanvraag in voor bedrijfstoeslag 2010 waarbij zij een perceel van 2,75 hectare had opgegeven. Verweerder wees de aanvraag af wegens het opzettelijk onjuist opgeven van dit perceel, omdat appellante niet over een gebruikstitel beschikte en het perceel feitelijk niet subsidiabel was.
Appellante erkende dat het perceel niet aan alle subsidievoorwaarden voldeed, maar stelde dat het perceel feitelijk met gras was beteeld en dat zij te goeder trouw was. Verweerder stelde dat het perceel deels bestond uit kale grond en fietspaden en dat de gemeente het perceel in de zomer van 2010 voor niet-agrarische doeleinden in gebruik had genomen.
Het College oordeelde dat een perceel alleen subsidiabel is indien het op 15 mei van het premiejaar ter beschikking staat van de landbouwer met een gebruikstitel. Appellante had geen gebruikstitel en kon deze ook niet ontlenen aan de gemeente. Het feitelijk gebruik was onvoldoende. Het College vond het aannemelijk dat appellante bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat zij geen gebruikstitel had, waardoor sprake was van een opzettelijke te hoge aangifte.
Daarom was de afwijzing van de bedrijfstoeslag terecht en werd het beroep ongegrond verklaard. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de bedrijfstoeslag 2010 bevestigd wegens het ontbreken van een gebruikstitel en opzettelijk te hoge opgave.