ECLI:NL:CBB:2013:BZ3408
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- W.E. Doolaard
- H.S.J. Albers
- M. de Mol
- Rechtspraak.nl
Geschil over meetmethode en subsidiabele oppervlakte bedrijfstoeslag dijkpercelen
Appellant betwistte de door verweerder vastgestelde oppervlakte van zijn dijkpercelen in het kader van de bedrijfstoeslagregeling 2009. Kern van het geschil was of hellende oppervlakten driedimensionaal gemeten dienen te worden, dan wel of de door verweerder gehanteerde tweedimensionale GPS-meting toereikend is. Tevens was in geschil of bepaalde stroken buiten de afrastering en enkele percelen ten onrechte niet als subsidiabel zijn erkend.
Het College overwoog dat de Europese regelgeving geen specifieke meetmethode voorschrijft voor hellende oppervlakten, waardoor verweerder een redelijke keuzevrijheid heeft. De keuze voor tweedimensionale meting met GPS acht het College toelaatbaar, mede gelet op het gebruik van deze methode door andere lidstaten met bergachtig terrein. Daarnaast werd het beroep op het niet vertalen van een Engelstalig document verworpen omdat de relevante inhoud wel was vertaald en appellant niet in zijn belangen werd geschaad.
Verder oordeelde het College dat de oppervlakten in pachtcontracten niet doorslaggevend zijn voor subsidiabiliteit, omdat deze ook niet-subsidiabele elementen kunnen bevatten. De buiten de afrastering gelegen stroken werden niet als subsidiabel aangemerkt omdat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat deze stroken feitelijk voor landbouwactiviteiten worden gebruikt. Ook de niet opgegeven percelen konden niet in aanmerking worden gebracht.
Ten aanzien van perceel 6 werd vastgesteld dat een deel niet als landbouwgrond werd gebruikt vanwege langdurige aanwezigheid van caravans en opslag, waardoor dit deel niet subsidiabel is. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat de situatie niet vergelijkbaar was met andere percelen met tijdelijke opslag. Het College verwierp ook het beroep op het evenredigheidsbeginsel omdat de belangenafweging wettelijk beperkt is.
Gelet op het voorgaande verklaarde het College het beroep ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de door verweerder gehanteerde meetmethode en vastgestelde subsidiabele oppervlakten worden bevestigd.