ECLI:NL:CBB:2013:270
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Bevestiging schorsing erkenning slachthuis met voorwaarden en afwijzing beroep
Appellante exploiteert een slachthuis dat op 4 augustus 2011 door verweerder werd geschorst wegens meerdere geconstateerde overtredingen tijdens inspecties op 22 februari en 2 augustus 2011. Na overleg en het overleggen van protocollen werd de schorsing op 12 augustus 2011 opgeheven onder voorwaarden, waaronder toezicht en naleving van protocollen.
Appellante stelde dat de schorsing onterecht was, dat de overtredingen van ondergeschikte aard waren, dat zij onvoldoende gelegenheid had gekregen om de tekortkomingen te herstellen en dat de schorsing feitelijk een last onder bestuursdwang betrof. Verweerder stelde dat de schorsing gerechtvaardigd was op grond van artikel 54 van Pro Verordening (EG) nr. 882/2004 en dat titel 5.3 Awb niet van toepassing was.
Het College oordeelde dat verweerder bevoegd was de erkenning te schorsen gezien de niet-betwiste overtredingen en dat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij door de korte termijn en timing van de brief concreet in haar belangen was geschaad. De keuze voor schorsing was niet onredelijk gezien de aard en stelselmatigheid van de overtredingen. Ook waren de aan de opheffing verbonden voorwaarden niet onredelijk of onevenredig.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen schadevergoeding toegekend. De proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de schorsing van de erkenning van het slachthuis is ongegrond verklaard en de voorwaarden bij opheffing zijn rechtmatig.