ECLI:NL:CBB:2012:CA2125

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
19 december 2012
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
AWB 12/249
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling proceskostenvergoeding bij samenhangende bezwaren tegen heffingsbesluiten

Appellanten hebben beroep ingesteld tegen een besluit van het Productschap Tuinbouw waarin bezwaren tegen opgelegde heffingen over de jaren 2005 tot en met 2007 gegrond werden verklaard en proceskostenvergoeding werd toegekend. De kern van het geschil betrof de hoogte van de proceskostenvergoeding die verweerder had toegekend.

Verweerder had aanvankelijk alle bezwaren als samenhangende zaken beschouwd en één proceskostenvergoeding met een vermenigvuldigingsfactor toegekend. Later werd dit herzien naar een vergoeding voor drie punten, waarbij sommige bezwaren als samenhangend werden beschouwd en andere afzonderlijk. Appellanten stelden dat voor elk bezwaar afzonderlijk een vergoeding had moeten worden toegekend.

Het College oordeelde dat de bezwaren die als samenhangend werden beschouwd inderdaad nagenoeg gelijktijdig waren ingediend, binnen een periode van maximaal zes weken, en dat de toegepaste regeling daarom correct was. Het beroep tegen het oorspronkelijke besluit werd gegrond verklaard voor zover het de proceskostenvergoeding betrof, maar het beroep tegen het herziene besluit werd ongegrond verklaard.

Het College veroordeelde verweerder tot vergoeding van de proceskosten van appellanten tot een bedrag van €874,-- en tot vergoeding van het griffierecht van €310,--. Hiermee werd het geschil over de hoogte van de proceskostenvergoeding definitief beslecht.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 10 januari 2012 wordt gegrond verklaard voor de proceskostenvergoeding, het beroep tegen het besluit van 8 juni 2012 ongegrond, en verweerder wordt veroordeeld tot betaling van €874 aan proceskosten en €310 aan griffierecht.

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven
AWB 12/249 19 december 2012
4000 Heffing
Uitspraak in de zaak van:
Maatschap A, te B, en anderen, appellanten,
gemachtigde: mr. G.P. van Malkenhorst, werkzaam bij M&P/Bakkerberaad te Utrecht
tegen
het Productschap Tuinbouw, verweerder,
gemachtigde: mr. Th. Keizer, werkzaam bij verweerder
1. Het procesverloop
Bij brief van 20 februari 2012, bij het College binnengekomen op dezelfde datum, hebben appellanten beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 10 januari 2012.
Bij dit besluit heeft verweerder de bezwaren van appellanten gericht tegen opgelegde heffingen over de jaren 2005 tot en met 2007, naar aanleiding van uitspraken van het College van 26 augustus 2011 en 7 oktober 2011, gegrond verklaard, de opgelegde heffingen gerestitueerd en een proceskostenvergoeding toegekend.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Daarnaast heeft zij op 8 juni 2012 een nieuw besluit genomen, waarbij gedeeltelijk tegemoet is gekomen aan het beroep van appellanten. Appellanten hebben een reactie gegeven.
Op 17 oktober 2012 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij gemachtigden van partijen zijn verschenen.
2. De beoordeling van het geschil
2.1 In geschil is nog uitsluitend de hoogte van de door verweerder toegekende proceskostenvergoeding. Ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) komen, voor zover hier van belang, voor vergoeding in aanmerking de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Voor vaststelling van het bedrag gelden de in de bijlage bij dat besluit opgenomen tarieven. In artikel 3 van Pro het Besluit is bepaald dat samenhangende zaken worden beschouwd als één zaak. Onder samenhangende zaken wordt verstaan gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig door een of meer belanghebbenden tegen nagenoeg identieke besluiten op vergelijkbare gronden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen. Uit de bijlage bij het Besluit volgt dat aan een bezwaarschrift 1 punt wordt toegekend, ter waarde van €437,--. Voor samenhangende zaken geldt dat voor 4 of meer zaken het bedrag vermenigvuldigd wordt met de factor 1,5. Zijn het er minder dan 4 dan is de vermenigvuldigingsfactor 1.
2.2 De in totaal 5 gegrond verklaarde bezwaren zijn ingediend op 3 december 2008, 19 februari 2008, 1 april 2008 en 15 januari 2009. Verweerder stelde zich aanvankelijk op het standpunt dat alle bezwaren samenhangende zaken zijn in de zin van het Besluit en kende daarom 1 punt toe, vermenigvuldigd met 1,5 nu het 4 of meer zaken betrof. Bij besluit van 8 juni 2012 heeft verweerder de proceskostenvergoeding herzien, in die zin dat in totaal 3 punten zijn toegekend. Voor een bezwaar gemaakt op 3 december 2008 is 1 punt toegekend. Een ander bezwaar van 3 december 2008 wordt door verweerder beschouwd als samenhangend met het bezwaar van 15 januari 2009 en de bezwaren gemaakt op 19 februari en 1 april 2008 worden ook als samenhangende zaken beschouwd. Daarvoor zijn nog 2 punten zijn toegekend. Appellanten stellen zich op het standpunt dat voor alle bezwaren afzonderlijk een proceskostenvergoeding op zijn plaats was en dat dus 5 punten hadden moeten worden toegekend.
2.3 Niet in geschil is dat de bezwaren die als samenhangende zaken zijn beschouwd gericht zijn tegen nagenoeg identieke besluiten en op vergelijkbare gronden zijn gemaakt. Appellanten stellen echter dat er geen sprake is van bezwaren die nagenoeg gelijktijdig zijn ingediend, zoals ook vereist is op grond van het Besluit. Het College stelt vast dat tussen de als samenhangende zaken beschouwde bezwaren steeds een periode van maximaal zes weken zit. Naar het oordeel van het College is in een dergelijk geval sprake van nagenoeg gelijktijdig ingediende bezwaren in de zin van het Besluit. De conclusie is dat het toegekende bedrag aan proceskosten in het besluit van 8 juni 2012 juist is.
2.4 Met het besluit van 8 juni 2012 is verweerder deels tegemoet gekomen aan het beroep van appellanten. Het College verklaart het beroep gericht tegen het besluit van 10 januari 2012 gegrond, uitsluitend voor zover het ziet op de daarin toegekende proceskostenvergoeding. Het beroep tegen het besluit van 8 juni 2012 wordt ongegrond verklaard.
2.5 Nu verweerder deels tegemoet is gekomen aan het beroep van appellanten acht het College termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellanten in verband met de door de gemachtigde van appellanten verleende rechtsbijstand. Met inachtneming van het Besluit worden deze vastgesteld op €874,-- (een punt voor het indienen van het beroepschrift en een punt voor het verschijnen ter zitting in een zaak van gemiddeld gewicht).
3. De beslissing
Het College;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 10 januari 2012 gegrond;
- vernietigt het besluit van 10 januari 2012, uitsluitend voor zover het ziet op de daarin toegekende
proceskostenvergoeding;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 8 juni 2012 ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van €874,-- (zegge achthonderdvierenzeventig
euro);
- bepaalt dat verweerder aan appellanten het griffierecht van €310,-- (zegge: driehonderdtien euro) vergoedt.
Aldus gewezen door mr. C.J. Waterbolk in tegenwoordigheid van mr. A.G.J. van Ouwerkerk als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 december 2012.
w.g. C.J. Waterbolk w.g. A.G.J. van Ouwerkerk