3. De beoordeling van het hoger beroep
3.1 Het hoger beroep van appellant strekt ertoe dat het College de bestreden uitspraak, voor zover de accountantskamer daarbij de klacht gegrond heeft verklaard, vernietigt en de tegen hem ingediende klacht alsnog ongegrond verklaart. Het College gaat daarbij in beginsel uit van de klachtonderdelen, zoals die door de accountantskamer zijn verwoord en gegrond verklaard.
Aangezien klager geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de bestreden uitspraak, kan het College aan de behandeling van hetgeen hij (ter zitting van het College) heeft aangevoerd tegen de ongegrond verklaarde klachtonderdelen niet toekomen.
3.2 Ten aanzien van het door de accountantskamer als klachtonderdeel 5 aangeduide verwijt aan appellant inzake de vraag of klager voldoende in staat is geweest te reageren op de aantijgingen jegens hem, meer specifiek betreffende de toegang van klager tot zijn e-mailbestanden, overweegt het College als volgt.
Vast staat dat klager door zijn (voormalige) werkgever de toegang tot zijn werkplek was ontzegd en dat hij daardoor niet langer toegang had tot onder andere het digitale netwerk, waarop al zijn e-mailbestanden waren opgeslagen. Appellant stelt zich op het standpunt dat klager meerdere malen in de gelegenheid is gesteld de aan het onderzoek ten grondslag liggende documenten en gegevens in te zien, dat klager had kunnen en moeten begrijpen dat daaronder ook de volledige – naar ter zitting van het College is gebleken: op een Cd-rom gekopieerde – e-mailbestanden werden verstaan, maar dat klager hier geen gebruik van heeft gemaakt. Klager stelt dat nergens uit bleek dat deze e-mailbestanden deel uitmaakten van het onderzoeksdossier, dat hem in de communicatie hierover niet voldoende duidelijk is gemaakt dat die bestanden daarvan wel deel uitmaakten en dat hem bovendien überhaupt niet was toegestaan daarvan dan afschriften te maken, hetgeen volgens klager betekent dat de hem geboden gelegenheid tot inzage volstrekt onvoldoende was en hij er om die reden geen gebruik van heeft gemaakt.
Het College constateert uit de stukken in het dossier dat de communicatie over de (toegang tot de) e-mailbestanden niet optimaal is geweest. Klager heeft meermaals, maar slechts in algemene zin, verzocht om toegang tot de zijns inziens relevante gegevens, waaronder hij verstond zijn werkplek, inhoudende het digitale netwerk, de dossierkasten, de medewerkers en de administratie. Hij heeft aldus niet concreet duidelijk gemaakt dat het hem specifiek ging om onbeperkte en volledige toegang tot zijn e-mailbestanden. Het College acht dan ook voorstelbaar dat het op dat moment voor appellant niet helder was dat het klager met name om de e-mailbestanden ging.
Appellant op zijn beurt heeft klager diverse malen, maar eveneens slechts in algemene zin, geïnformeerd over de in het onderzoeksdossier aanwezige documenten en gegevens, en hem ook de mogelijkheid geboden die in te komen zien. Appellant heeft in dit verband aangevoerd dat er voor klager meerdere aanwijzingen waren dat appellant beschikte over alle e-mailbestanden en dat deze derhalve deel uitmaakten van het onderzoeksdossier dat ter inzage lag. Appellant heeft onder meer gewezen op de brief van 10 januari 2007 aan klager waarin onder meer is medegedeeld dat een forensisch ICT-onderzoek is ingesteld op de harde schijf van de bij klager in gebruik zijnde laptop alsmede in de netwerkomgeving van E. Daarnaast heeft appellant gewezen op de op 31 januari 2007 aan klager toegezonden vragenlijst en het concept-rapport van 23 februari 2007 dat aan klager in wederhoor is aangeboden, in welke stukken verwijzingen zijn opgenomen naar aangetroffen e-mailberichten van klager. Klager is echter aldus niet expliciet en ondubbelzinnig duidelijk gemaakt dat ook (juist) de e-mailbestanden waren gekopieerd en op een Cd-rom beschikbaar waren voor inzage door klager. Bovendien is klager bij de brief van 31 januari 2007 te kennen gegeven dat, indien hij van de inzagemogelijkheid gebruik zou maken, geen afschriften van documenten zouden worden verstrekt. Dat bij klager enige twijfel bestond over het nut van inzage in het onderzoeksdossier, acht het College daarom ook voorstelbaar.
Het College ziet echter niet in dat die twijfel voor klager voldoende reden was om reeds op voorhand af te zien van de hem wel degelijk en zelfs diverse malen expliciet geboden gelegenheid de documenten en gegevens die aan het voor hem belastende onderzoek ten grondslag lagen, in te zien. Nu hij van die gelegenheid om hem moverende redenen geen gebruik heeft gemaakt, heeft hij niet (zelf) kunnen vaststellen of de door hem verlangde e-mailbestanden al dan niet in het onderzoeksdossier aanwezig waren en of de zich daarin bevindende informatie vervolgens naar zijn mening voldoende was of wellicht anderszins bruikbare aanknopingspunten bood voor verdere stappen. Appellant is over de beschikbaarheid van die e-mailbestanden weliswaar onvoldoende specifiek geweest in de communicatie met klager, maar het College is van oordeel dat, gelet op het voorgaande, dat enkele feit in dit geval niet betekent dat appellant dienaangaande een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Daarbij acht het College mede van belang dat in het rapport van 22 maart 2007 (in paragraaf 2.2) is gerapporteerd op welke wijze is gehandeld en gecommuniceerd inzake de toegang van klager tot (onder andere) de gegevens op de laptop en het netwerk, alsmede dat in het rapport is vermeld dat klager heeft aangegeven dat hij niet beschikte over alle door hem verlangde documenten en gegevens en om die reden slechts een voorlopige reactie op het rapport heeft kunnen geven.
Gelet op het voorgaande is het College, anders dan de accountantskamer, van oordeel dat in dit geval niet kan worden gezegd dat appellant, in het kader van de toegang van klager tot zijn e-mailbestanden, het fundamentele beginsel van deskundigheid en zorgvuldigheid heeft geschonden. Deze grief slaagt derhalve.
3.3 Ten aanzien van het door de accountantskamer als klachtonderdeel 20 aangeduide verwijt aan appellant inzake de in § 4.8 van de bestreden uitspraak opgenomen analyse uit het rapport van 22 maart 2007 overweegt het College als volgt.
De bedoelde analyse uit het rapport van 22 maart 2007 luidt als volgt: