ECLI:NL:CBB:2011:BZ7801
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Hoger beroep
- E.R. Eggeraat
- W.A.J. van Lierop
- H.C. Cusell
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vergunningaanvraag financiële dienstverlening wegens twijfel aan betrouwbaarheid
Appellant heeft op 27 januari 2006 een vergunning aangevraagd bij de AFM voor financiële dienstverlening. De AFM wees de aanvraag op 7 december 2007 af wegens twijfel aan de betrouwbaarheid van appellant, gebaseerd op vier strafrechtelijke antecedenten en een toezichtantecedent. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond op 27 februari 2009.
Appellant stelde in hoger beroep dat de oudere antecedenten verjaard zijn en dat de strafbare feiten in zijn privéleven plaatsvonden, waardoor deze niet relevant zouden zijn voor de beoordeling. Tevens voerde hij aan dat hij zijn verleden niet moedwillig had verzwegen en dat hij zakelijk altijd correct heeft gehandeld. De AFM stelde dat de antecedenten, waaronder recente, en het toezichtantecedent terecht meewegen in het oordeel over de betrouwbaarheid, en dat het belang van integriteit en vertrouwen in de financiële markten zwaarder weegt dan de persoonlijke belangen van appellant.
Het College overwoog dat het BGfo geen tijdslimiet stelt voor de strafrechtelijke antecedenten uit bijlage C, behalve voor de zwaardere antecedenten uit onderdeel 1, en dat ook privé-antecedenten relevant kunnen zijn. Gezien de ernst en het aantal antecedenten en het toezichtantecedent was het oordeel van de AFM dat de betrouwbaarheid niet buiten twijfel staat redelijk. Het College bevestigde dat de weigering van de vergunning geen bestraffende sanctie is en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vergunningaanvraag blijft afgewezen vanwege twijfel aan de betrouwbaarheid van appellant.