3. Het bestreden besluit en het nadere standpunt van verweerder
3.1 Milestone 2
Verweerder stelt dat vanaf 2006 voor appellante een resultaatsverplichting geldt. Dit betekent volgens verweerder op basis van artikel 1, onder bb van de PSO AV 2004 dat de subsidieontvanger zich verbindt tot het behalen van specifieke vooraf gedefinieerde projectresultaten, vastgelegd in milestones, en dat de subsidieverstrekker betalingen verricht op basis van de gerealiseerde milestones. Ingevolge de artikelen 4.8.2 en 5.5 PSO AV 2004 worden de individuele milestones gedurende het project vastgesteld, zodra de uitvoerder alle bewijsstukken heeft ingediend, in plaats van achteraf in één keer. Appellante heeft met de indiening van de eindrapportage over 2006 zelf verzocht om de vaststelling van milestone 2.
Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de beslissing op bezwaar voor dit onderdeel op een onjuiste feitelijke grondslag berust, in die zin dat in deze beslissing er ten onrechte van wordt uitgegaan dat de hardware voor milestone 2 lager is vastgesteld, omdat een deel van de planten door de fytosanitaire dienst was ingevorderd. Volgens verweerder heeft appellante met een VAG verzocht om goedkeuring van het gehele budget van milestone 2, maar is de subsidie op een lager bedrag dan verleend vastgesteld, omdat de facturen slechts voor het lagere bedrag marktconform waren.
Verweerder stelt dat appellante geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om een tijdig en schriftelijk verzoek om wijziging of verlenging in te dienen. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.1, 8.3 en 8.4 van de PSO AV 2004 kan appellante zich in de opvatting van verweerder niet beroepen op door haar ingediende voortgangsrapportages, waarin een dergelijk verzoek besloten zou liggen. Volgens verweerder heeft appellante een zodanig verzoek veel te laat ingediend. Verweerder voert aan dat appellante eerst op 30 september 2008, bijna twee jaar na de deadline voor milestone twee en na afloop van de deadline voor het gehele project, een VAG heeft ingediend, welke blijkens de begeleidende brief mede betrekking had op hardware welke wordt aangeschaft voor activiteiten van 2006, hoewel volgens de eindrapportage van appellante over 2006 alle activiteiten in milestone twee in 2006 zouden moeten zijn afgerond.
3.2 Vergoeding verblijfskosten inceptiefase
Verweerder stelt dat alle kosten voor technische assistentie, waaronder verblijfskosten, lumpsum worden afgerekend voor de deelprojecten die volgen op de inceptiefase. In de inceptiefase, waarvoor een inspanningsverplichting geldt, worden deze kosten overeenkomstig de PSO AV 2004 vastgesteld op basis van de werkelijk gemaakte kosten. De verblijfskosten worden vergoed op basis van een forfaitair bedrag (Daily Subsistence Allowances, hierna: DSA).
Voor zover appellante zich beroept op de verdeling van de verblijfskosten die is gehanteerd in het door verweerder goedgekeurde budget, te weten voor projectmanagers: 2/3 Belgrado en 1/3 daarbuiten en voor technische staf: 1/3 Belgrado en 2/3 daarbuiten, wijst verweerder erop dat appellante er ten onrechte aan voorbij gaat dat ingevolge het bepaalde in artikel 5.1 van de PSO AV 2004 bij eindafrekening van de inceptiefase een accountantsverklaring dient te worden overgelegd ter controle. De accountantsverklaring voor de verblijfskosten betreft een oordeelonthouding omdat voor de opgegeven verblijfskosten niet achterhaald kon worden hoeveel dagen in of buiten Belgrado waren doorgebracht. Verweerder wijst er op dat de accountant op pagina twee van zijn verklaring verklaart: “voor een bedrag ad EUR 3.969,00 hebben wij de juistheid en rechtmatigheid niet kunnen vaststellen (...)”. Nu de rechtmatigheid van de kosten niet is bepaald, kunnen deze naar de mening van verweerder niet voor vergoeding in aanmerking komen.
Reeds gelet op het bepaalde in artikel 5.1. van de PSO AV 2004 kan in de opvatting van verweerder bij appellante niet een gerechtvaardigd vertrouwen zijn gewekt dat de verplichting tot een accountantsverklaring niet zou gelden voor de verblijfskosten, respectievelijk dat appellante geen rekening en verantwoording zou hoeven afleggen over het aantal dagen besteed in en buiten Belgrado. Voor zover appellante stelt dat de verdeelsleutel voor de verblijfskosten is besproken met de projectofficer en dientengevolge bij appellante de indruk is gewekt dat de verdeling juist was, geldt volgens verweerder dat appellante zowel in haar bezwaarschrift als tijdens de hoorzitting heeft erkend dat geen concrete toezegging is gedaan over de juistheid van de door haar gehanteerde verdeelsleutel.
Verweerder wijst erop dat appellante schriftelijk een verzoek om wijziging van het budget had kunnen indienen, maar dat heeft nagelaten.
Verweerder benadrukt zeer coulant te zijn geweest bij de subsidievaststelling voor de inceptiefase, gegeven het feit dat de accountant ten aanzien van de getrouwheid van de financiële verantwoording over deze fase een algehele oordeelonthouding heeft gegeven.