ECLI:NL:CBB:2011:BQ1780

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
7 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 10/1057
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing subsidieaanvraag op basis van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en de toepassing van het vertrouwensbeginsel

In deze zaak heeft A B.V. een aanvraag ingediend voor subsidie op grond van het Besluit stimulering duurzame energieproductie (SDE). De aanvraag werd op 9 augustus 2010 afgewezen door de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie wegens budgetuitputting. A B.V. heeft bezwaar gemaakt tegen deze afwijzing, maar dit bezwaar werd op 8 september 2010 ongegrond verklaard. Hierop heeft A B.V. beroep ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, dat op 24 februari 2011 de zitting heeft gehouden.

De kern van het geschil betreft de toepassing van het lotingssysteem voor de verdeling van het beschikbare subsidiebudget. A B.V. stelde dat zij verkeerd was voorgelicht over de wijze van verdeling van de subsidies en dat de spelregels achteraf waren veranderd. Het College oordeelde dat de regels omtrent de loting en de voorindieningstermijn al in het Besluit waren neergelegd ten tijde van de aanvraag. Het College concludeerde dat er geen sprake was van strijd met het vertrouwensbeginsel of het rechtszekerheidsbeginsel, aangezien de spelregels niet achteraf waren gewijzigd.

Daarnaast werd het argument van A B.V. dat het bouwbord dat aan haar was aangeboden een gerechtvaardigd vertrouwen wekte dat de subsidie alsnog zou worden verleend, verworpen. Het College oordeelde dat het bouwbord pas na de afwijzing van de subsidie was geplaatst, waardoor A B.V. hieraan geen vertrouwen kon ontlenen. Uiteindelijk verklaarde het College het beroep ongegrond en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven
(zesde enkelvoudige kamer)
AWB 10/1057 7 april 2011
27301 Kaderwet EZ-subsidies
Besluit stimulering duurzame energieproductie (SDE)
Uitspraak in de zaak van:
A B.V., te B, appellante,
gemachtigde: C, bestuurder van appellante,
tegen
de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, verweerder,
gemachtigde: mr. J. van Essen, werkzaam bij verweerders dienst Agentschap NL.
1. Het procesverloop
Verweerder heeft op 9 augustus 2010 de aanvraag van appellante om subsidie op grond van het Besluit stimulering duurzame energieproductie (hierna: het Besluit) afgewezen wegens budgetuitputting.
Bij besluit van 8 september 2010 heeft verweerder het hiertegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard (hierna: bestreden besluit).
Op 6 oktober 2010 heeft het College het beroep van appellante tegen dit besluit ontvangen.
Verweerder heeft schriftelijk verweer gevoerd.
Op 24 februari 2011 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de gemachtigden van partijen zijn verschenen. Voor verweerder was voorts aanwezig D.
2. De beoordeling van het geschil
2.1 Uit artikel 58 van het Besluit en de artikelen 8 en 10 van de daarop gebaseerde Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2010 (hierna: de Regeling) volgt dat in het kader van de verstrekking van subsidie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met gebruik van fotovoltaïsche zonnepanelen met een vermogen groter dan 15 kWp en kleiner dan of gelijk aan 100 kWp, welke zijn geplaatst op of tegen een gebouw als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Woningwet, zoals hier aan de orde, een subsidieplafond geldt en dat verweerder het beschikbare subsidiebedrag verdeelt op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. Daarbij geldt dat indien honorering van alle aanvragen om deze subsidie die op één dag zijn ontvangen ertoe zou leiden dat het beschikbare subsidieplafond zou worden overschreden, verweerder de volgorde van ontvangst van deze aanvragen vaststelt door middel van loting. De aanvragen worden ontvangen in de periode van 31 mei 2010 tot en met 1 november 2010, 17.00 uur. Aanvragen, ingediend via www.agentschap.nl/sde in de periode van 18 mei 2010 tot en met 30 mei 2010 worden geacht te zijn ontvangen op 31 mei 2010.
Ingevolge artikel 4:25 van de Algemene wet bestuursrecht wordt een subsidie geweigerd, voor zover door verstrekking van de subsidie het subsidieplafond zou worden overschreden.
2.2 Verweerder heeft de aanvraag van appellante om subsidie afgewezen en het daartegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard, omdat het beschikbare subsidiebudget al was uitgeput door verstrekking van subsidie aan andere aanvragers. In het bestreden besluit overweegt verweerder, kort gezegd, dat de volgorde van subsidieverstrekking in dit geval is bepaald door loting, omdat bij honorering van alle aanvragen die op de eerste dag van de aanvraagprocedure (31 mei 2010) zijn ontvangen het subsidieplafond zou worden overschreden. Bij die loting is de aanvraag van appellante geëindigd op een zodanige plaats dat bij de beoordeling van haar aanvraag geen subsidiebudget meer over was.
2.3 Appellante heeft aangevoerd dat de medewerkers van verweerder haar verkeerd hebben voorgelicht over de wijze van verdeling van het beschikbare subsidiebedrag. Op grond van de website van verweerder (hier: de website van Agentschap NL) was volgens appellante niet kenbaar dat een lotingssysteem gold of dat bij indiening van een aanvraag binnen de termijn van 'voorindiening' van 19 mei 2010 tot en met 30 mei 2010 de datum van ontvangst op 31 mei 2010 zou worden gesteld. Verder is het onjuist om de geldende regel 'wie het eerst komt, het eerst maalt' vervolgens aan te vullen met een lotingsprocedure en het invoeren van de mogelijkheid van voorindiening. Appellante meent dat zij is benadeeld, omdat anderen daardoor meer gelegenheid hebben gekregen om ook een aanvraag in te dienen die geldt als binnengekomen op de eerste dag van de termijn en zij – gelet daarop – minder kans maakt op verkrijging van de subsidie. Voorts wijst appellante erop dat zij van verweerder een bouwbord aangeboden heeft gekregen, welk bouwbord ook bij het project is geplaatst.
2.4 Het College stelt voorop dat het systeem van verdeling van het beschikbare subsidiebudget aan de hand van een loting, zoals hier aan de orde, en de wijze waarop met de voorindieningstermijn wordt omgegaan, zijn neergelegd in de hiervoor onder 2.1 vermelde bepalingen. Het College begrijpt het betoog van appellante over de lotingssystematiek en de voorindieningstermijn aldus dat zij stelt dat de spelregels die golden voor het doen van een aanvraag en het verkrijgen van subsidie achteraf zijn veranderd. Appellante stelt hiermee de rechtmatigheid van de hiervoor onder 2.1 vermelde bepalingen aan de orde wegens strijd met algemene rechtsbeginselen, in het bijzonder het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. Volgens vaste jurisprudentie kan – voor zover gelet op het aangevoerde hier van belang – aan een algemeen verbindend voorschrift verbindende kracht worden ontzegd indien, met inachtneming van de beoordelingsvrijheid van de regelgever, en derhalve met terughoudendheid getoetst, geoordeeld moet worden dat het voorschrift een toetsing van de algemene rechtsbeginselen niet kan doorstaan. Daarvan is hier geen sprake. Ten tijde van het indienen van de aanvraag was de mogelijkheid van een lotingsprocedure al in het Besluit neergelegd. Hetzelfde geldt voor de mogelijkheid van het indienen van een aanvraag tijdens de zogeheten voorindieningstermijn in de Regeling. Er is dus geen sprake van een situatie waarin de spelregels achteraf worden veranderd. De enkele omstandigheid dat de betreffende bepalingen voor appellante - volgens haar zeggen - minder gunstig zouden zijn dan zij had verwacht of dan zij wenst vormt geen reden om deze onverbindend te achten.
Voorts ziet het College geen aanleiding om de op de website van verweerder gegeven inlichtingen onjuist te achten. Hiertoe overweegt het College dat de bepaling over de voorindieningstermijn in artikel 8, vierde lid, van de Regeling is opgenomen na een wijziging van die regeling die in werking is getreden met ingang van 30 april 2010. Zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht, en door appellante niet is weersproken, is deze wijziging destijds ook op de website van verweerder bekend gemaakt. Ook van andere onjuiste en/of onvolledige voorlichting door medewerkers van verweerder aan appellante is het College niet gebleken.
2.5 Ten aanzien van het bouwbord overweegt het College dat appellante desgevraagd ter zitting heeft toegelicht dat het bouwbord eerst op 14 oktober 2010 is geplaatst. Dit is derhalve nadat haar aanvraag om subsidie is afgewezen en nadat haar bezwaar tegen die afwijzing ongegrond is verklaard. Het College is van oordeel dat appellante reeds hierom aan de omstandigheid dat een bouwbord is aangeboden en geplaatst niet het gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen dat de subsidie alsnog aan haar zou worden verleend.
2.6 Het voorgaande betekent dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
3. De beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gewezen door mr. M. Munsterman, in tegenwoordigheid van mr. O.C. Bos als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 april 2011.
w.g. M. Munsterman w.g. O.C. Bos