ECLI:NL:CBB:2010:BO1058
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- W.E. Doolaard
- R.F.B. van Zutphen
- C.J. Waterbolk
- Rechtspraak.nl
Beoordeling superheffing en melkequivalenten bij rechtstreekse verkoop zuivelproducten
Appellante, een zuivelproducent, maakte bezwaar tegen het besluit van het Productschap Zuivel waarin de hoeveelheid rechtstreekse verkopen werd vastgesteld met aftrek van aangekochte zuivel verminderd met een vastgesteld productieverlies van 4,15%. Verweerder stelde dat deze correctie noodzakelijk is om dubbele heffing te voorkomen en om een juiste heffingsgrondslag vast te stellen.
Appellante betoogde dat de gehanteerde correctie leidt tot dubbele heffing en ongelijkheid tussen producenten die eigen melk gebruiken en producenten die ook aangekochte zuivel verwerken. Tevens stelde zij dat de motivering van verweerder onvoldoende was en in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur.
Het College overwoog dat de Europese en nationale regelgeving geen specifieke bepalingen bevat voor de verwerking van aangekochte zuivel bij de heffingsberekening, waardoor een schatting noodzakelijk is. De gehanteerde schatting waarbij het productieverlies gelijkelijk wordt toegerekend aan eigen melk en aangekochte zuivel is niet onaanvaardbaar en voorkomt dubbele heffing.
De stellingen van appellante over dubbele heffing en ongelijke behandeling faalden. Ook de motivering van verweerder voldeed aan de vereisten. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen het besluit inzake de superheffing wordt ongegrond verklaard.