ECLI:NL:CBB:2010:BL0545
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Voorlopige voorziening
- E.R. Eggeraat
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen maatregelen Q-koorts besmetting op geitenbedrijf
Verzoeker, eigenaar van een geitenbedrijf, werd geconfronteerd met besluiten van de Minister van Landbouw waarbij alle herkauwers op zijn bedrijf als verdacht van Q-koorts werden aangemerkt en aanvullende maatregelen werden opgelegd, waaronder het doden van verdachte drachtige en geslachtsrijpe mannelijke geiten. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter beoordeelde of de besluiten terecht aan verzoeker waren gericht, ondanks dat de geiten economisch en juridisch eigendom zijn van een maatschap. Gezien de registratie van de dieren op naam van verzoeker, was dit gerechtvaardigd. De rechter constateerde een kennelijke verschrijving in de datum van besmetverklaring, die echter geen schending van belangen opleverde.
Inhoudelijk werd vastgesteld dat de Q-koortsbacterie meerdere malen via tankmelkonderzoeken was aangetoond en bevestigd door verschillende instanties. Verzoeker betoogde onzorgvuldigheid bij monstername en laboratoriumonderzoek, maar kon dit niet aannemelijk maken. De voorzieningenrechter concludeerde dat de minister over voldoende basis beschikte om het bedrijf als besmet te verklaren en de dieren als verdacht aan te merken, en dat het besluit tot doding van verdachte dieren gerechtvaardigd was.
Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het besluit tot aanmerken van geiten als verdacht van Q-koorts en het doden van verdachte dieren wordt afgewezen.