ECLI:NL:CBB:2008:BG5280
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Voorlopige voorziening
- M.A. van der Ham
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen DBC-registratie en declaratie in de geestelijke gezondheidszorg
Verzoekers, een groep psychiaters en psychotherapeuten, hebben beroep ingesteld tegen een besluit van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) dat de DBC-registratie en declaratieverplichtingen in de geestelijke gezondheidszorg handhaaft. Zij vorderen een voorlopige voorziening om schorsing van het besluit te bewerkstelligen, omdat zij menen dat de verplichte vermelding van diagnose-informatie op declaraties inbreuk maakt op hun beroepsgeheim en de privacy van cliënten, met name zelfbetalers.
De voorzieningenrechter overweegt dat verzoekers niet tegen de wettelijke verplichting tot gegevensverstrekking op zich opkomen, maar tegen de wijze waarop deze verplichting vorm krijgt in de beleidsregels en tariefbeschikking. Verzoekers hebben een persoonlijk beroepsmatig belang en hun spoedeisend belang wordt erkend vanwege de dreiging van handhavingsmaatregelen.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het bestreden besluit niet onmiskenbaar onrechtmatig is. Het College baseert zich onder meer op het positieve advies van het College bescherming persoonsgegevens (CBP) dat de noodzakelijkheid en proportionaliteit van de diagnose-informatie op de declaratie bevestigt. Ook de bescherming van persoonsgegevens door zorgverzekeraars en de NZa wordt als voldoende gewaarborgd gezien.
Ten aanzien van zelfbetalers wordt erkend dat het principiële onderscheid door de NZa miskend is, maar dat de privacy van deze cliënten niet in het geding is omdat zij zelf de declaratie ontvangen. De verplichte gegevensverstrekking aan het DBC-informatiesysteem vindt plaats op niet-individualiseerbare wijze, zodat geen sprake is van schending van privacy of beroepsgeheim.
Gelet op deze overwegingen wordt het verzoek tot voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening tegen het besluit tot handhaving van de DBC-registratie en declaratieverplichtingen in de geestelijke gezondheidszorg wordt afgewezen.