ECLI:NL:CBB:2008:BG1630
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Hoger beroep
- J.A. Hagen
- H.A.B. van Dorst-Tatomir
- J.A.W. Scholten-Hinloopen
- Rechtspraak.nl
Vaststelling van betrouwbaarheid financiële dienstverlener met strafrechtelijke antecedenten
A, handelend onder de naam B, vroeg in januari 2006 een vergunning aan bij de AFM als financiële dienstverlener. De AFM weigerde de vergunning op grond van een negatief betrouwbaarheidsoordeel, gebaseerd op twee strafrechtelijke antecedenten en een toezichtsantecedent. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van A tegen deze weigering gegrond en vernietigde het besluit van de AFM.
In hoger beroep stelde de AFM dat de voorzieningenrechter een onjuist toetsingskader had gehanteerd, onvoldoende motivering had gegeven en onvoldoende onderzoek had gedaan naar het toezichtsantecedent. Het College oordeelde dat de AFM terecht uitging van het op dat moment geldende recht en dat de voorzieningenrechter onvoldoende rekening had gehouden met de zwaarte van de antecedenten en het verband met de financiële sector.
Het College stelde vast dat de strafrechtelijke antecedenten, waaronder valsheid in geschrift en het belemmeren van toezicht, relevant zijn voor de betrouwbaarheidstoets, ondanks dat deze zich niet direct tijdens financiële werkzaamheden hebben voorgedaan. Het tijdsverloop was niet te lang om betekenis te verliezen. Ook het toezichtsantecedent was terecht meegenomen door de AFM.
Het beroep van de AFM werd gegrond verklaard, de uitspraak van de voorzieningenrechter vernietigd en het beroep van A ongegrond verklaard. De AFM mocht de vergunning weigeren omdat de betrouwbaarheid van A niet buiten twijfel stond en het belang van A bij voortzetting van zijn bedrijf minder zwaar woog dan de bescherming van de financiële sector.
Uitkomst: Het beroep van A tegen de weigering van de vergunning wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter vernietigd.