3. De beoordeling van het beroep
3.1 Alvorens de grieven te bespreken, merkt het College op dat met ingang van 1 oktober 2006 de Wet toezicht accountantsorganisaties (Wta) in werking is getreden, met uitzondering van onder meer artikel 75, onderdeel K. In dit onderdeel K is geregeld dat titel IV van de Wet op de Accountants-Administratieconsulenten (Wet AA), handelende over de tuchtrechtspraak, anders komt te luiden. Doordat onderdeel K niet in werking is getreden, luidt titel IV van de Wet AA thans nog steeds zoals deze ook voor 1 oktober 2006 luidde. Bij de Wta is echter ook aan een aantal artikelnummers die in titel IV voorkomen, een andere inhoud gegeven. Voor de goede orde wijst het College erop dat wanneer in deze uitspraak wordt verwezen naar artikelen uit titel IV het gaat om de thans geldende (niet gewijzigde) tekst.
3.2 Appellante voert aan dat zij op het moment dat zij haar klacht van 13 april 2004 tegen betrokkene indiende nog niet beschikte over de brieven van betrokkene, gedateerd 2 december 1996 en 2 december 1997. Uit deze brieven blijkt dat betrokkene onjuiste verklaringen heeft afgelegd in procedure A 256. Voorts voert zij aan dat haar brieven van 12 september 2005 en van 7 april 2006 hadden moeten worden aangemerkt als afzonderlijke klachten, die door het College ter behandeling hadden moeten worden doorgestuurd naar de raad van tucht.
3.3 Met betrekking tot de brieven van 12 september 2005 en 7 april 2006 overweegt het College dat de beslissing van de raad van tucht ziet op de klacht van 30 mei 2006. Voor zover deze brieven een klacht bevatten, zijn zij als zodanig niet door appellante bij de raad van tucht ingediend en evenmin in de bestreden tuchtbeslissing door de raad van tucht beoordeeld. In het verlengde hiervan kan evenmin worden geoordeeld dat de raad van tucht evenbedoelde klacht ongegrond heeft verklaard, zodat klager voor zover het betreft de beoordeling van een klacht die in de brieven van 12 september 2005 en 7 april 2006 zou zijn neergelegd niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
3.4 Met betrekking tot de beoordeling door de raad van tucht van de klacht van 30 mei 2006 oordeelt het College als volgt. Het College verstaat de beslissing van de raad van tucht aldus, dat hij primair aan de voorliggende beslissing het oordeel ten grondslag heeft gelegd dat zich in dit geval, net als in het ter beoordeling aan het College voorgelegde beroep tegen de beslissing van de raad van tucht van 25 januari 2005, een omstandigheid voordoet die zich verzet tegen een inhoudelijk beoordeling van de klacht in verband met het in artikel 51, eerste lid, Wet AA bepaalde. Ook het College is – op grond van hetgeen hierna wordt overwogen – van oordeel dat zich een dergelijke omstandigheid voordoet. Handelen waarover reeds eerder is geklaagd en waarover met inachtneming van tuchtrechtelijke normen een eindbeslissing is gegeven, kan niet andermaal het voorwerp van berechting vormen (“ne bis in idem”), ook niet indien daarbij andere tuchtrechtelijke normen worden ingeroepen.
Het College stelt vast dat de klacht van 13 april 2004 betrekking heeft op het optreden van betrokkene als partijarbiter in een geschil tussen appellante en D, aangezien hij in die hoedanigheid kreeg te oordelen over cijferopstellingen die hij zelf had vervaardigd. De klacht van 30 mei 2006 betreft het optreden van betrokkene als arbiter, waarbij is gesteld dat hij zich als arbiter in strijd met het in artikel 27 van de Verordening op de Gedrags- en Beroepsregels Accountants-Administratieconsulenten (hierna: GBAA) bepaalde niet onafhankelijk heeft opgesteld. Beide klachten stellen derhalve aan de orde het optreden van betrokkene (als partijarbiter) in het geschil tussen appellante en D. Naar het oordeel van het College worden met de klacht die voorwerp is van de bestreden tuchtbeslissing slechts andere tuchtrechtelijke normen ingeroepen tegen dezelfde gedraging die ten grondslag lag aan de eerdere, op 13 april 2004 voorgelegde, klacht.
Het College overweegt dat het “ne bis in idem”-beginsel zich verzet tegen een inhoudelijke beoordeling van de klacht. Dat appellante – naar zij heeft gesteld – pas later bekend is geworden met de inhoud van de brieven van 2 december 1996 en 2 december 1997 maakt dit niet anders. De brief van 2 december 1996 betreft een mededeling van D aan betrokkene; de brief van 2 december 1997 betreft een mededeling van D aan haar advocaat. Blijkens de klacht van 30 mei 2006 beoogt appellante met beide brieven te onderbouwen dat betrokkene bij zijn optreden als arbiter niet onpartijdig of onafhankelijk is geweest, doordat hij de inhoud van de brieven niet zou hebben medegedeeld aan de andere arbiters en dientengevolge de inhoud van deze brieven niet is onderzocht. Naar het oordeel van het College betreft het hier nieuwe bewijsmiddelen met betrekking tot dezelfde gedraging. Uit het voorgaande volgt dat de raad van tucht met juistheid heeft overwogen dat niet over andere gedragingen wordt geklaagd dan die bij de beoordeling van de eerste klacht aan de orde zijn geweest.
3.5 Ambtshalve overweegt het College voorts dat – aangezien de Wet AA, meer in het bijzonder artikel 68, eerste lid, van deze Wet, niet spreekt over niet-ontvankelijkverklaring van een klacht – het ter vermijding van misverstand over de beroepsmogelijkheid, aanbeveling verdient ten aanzien van een klacht waarvan uit de overwegingen blijkt dat deze zonder verdere inhoudelijke beoordeling moet worden afgedaan, in het dictum te bepalen dat die klacht of dat klachtonderdeel ongegrond wordt verklaard. Het College overweegt voorts dat, aangezien de raad van tucht terecht tot het oordeel is gekomen dat inhoudelijke beoordeling van de klacht achterwege moet blijven, geen aanleiding bestaat rechtsgevolg te verbinden aan de omstandigheid dat de raad van tucht die klacht niet-ontvankelijk in plaats van ongegrond heeft verklaard.
3.6 Het College zal gelet op het voorgaande het beroep verwerpen.
3.7 Na te melden beslissing op het beroep berust op Titel IV van de Wet AA.