ECLI:NL:CBB:2007:BB3673

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
17 augustus 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 07/410
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • R.R. Winter
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25d Bestrijdingsmiddelenwet 1962Art. 8:81 AwbArt. 19 lid 1 Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatieArt. 6:15 lid 2 AwbArt. 8:83 lid 3 Awb
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening inzake niet-intrekking besluiten bestrijdingsmiddelenwet

Stichting Natuur en Milieu maakte bezwaar tegen het niet intrekken van besluiten tot aanwijzing van werkzame stoffen onder de Bestrijdingsmiddelenwet. Verzoekster vroeg om een voorlopige voorziening bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Het College oordeelde dat het bezwaar niet-ontvankelijk was omdat er nog geen schriftelijk besluit tot weigering bestond bij indiening van het bezwaar.

Het beroep van verzoekster werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom niet-ontvankelijk verklaard voor zover het betrekking had op dat schriftelijke besluit. Het College was niet bevoegd om het beroep te beoordelen voor zover het ging om het niet tijdig nemen van een besluit en stuurde het beroep door als bezwaarschrift naar verweerder.

De behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening werd voor het overige aangehouden tot 30 augustus 2007, waarbij verweerder de gelegenheid kreeg binnen twee weken schriftelijk te reageren. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard voor het schriftelijke besluit en verdere behandeling aangehouden.

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven
Enkelvoudige kamer voor spoedeisende zaken
AWB 07/410
32000 Bestrijdingsmiddelenwet
Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van:
Stichting Natuur en Milieu, te Utrecht, verzoekster,
tegen
het College voor de toelating van bestrijdingsmiddelen, verweerder,
1. De procedure
Bij brief van 5 juni 2007 heeft verzoekster bezwaar gemaakt tegen het niet overgaan tot intrekking van de besluiten van 10 november 2004 en 22 december 2006 tot aanwijzing van een aantal werkzame stoffen niet overeenkomstig artikel 25d van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 door verweerder.
Bij brief van 5 juni 2007 heeft verzoekster zich terzake met een verzoek om voorlopige voorziening tot de voorzieningenrechter van het College gewend.
Op 22 juni 2007 heeft verweerder het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 2 juli 2007 beroep bij het College ingesteld (AWB 07/473).
Bij brief van 2 juli 2007 heeft verzoekster haar verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening gehandhaafd.
2. De beoordeling van het geschil
Ingevolge artikel 8:81 Algemene Pro wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie kan, indien tegen een besluit, voorzover thans van belang, beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van het College op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Bij uitspraak van heden heeft het College in de zaak AWB 07/473 geoordeeld dat het beroep van verzoekster – in die procedure appellante – ongegrond is, omdat er ten tijde dat het bezwaarschrift werd ingediend nog geen sprake was van een schriftelijk besluit strekkende tot weigering de toelatingen in te trekken.
Aangezien dientengevolge in zoverre niet langer wordt voldaan aan het uit artikel 8:81 Awb Pro volgende vereiste van connexiteit tussen het verzoek om voorlopige voorziening en de beroepsprocedure in het kader waarvan dit verzoek is ingediend, moet het bij brief van 2 juli 2007 door verzoekster gehandhaafde verzoek om voorlopige voorziening in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard.
Bij vorenbedoelde uitspraak heeft het College tevens geoordeeld dat het niet bevoegd is het beroep te beoordelen voorzover het zich richt tegen het niet tijdig nemen van een besluit. In verband daarmede heeft het College het beroep met toepassing van het bepaalde bij artikel 6:15, tweede lid, van de Awb, ter behandeling als bezwaarschrift doen doorzenden naar verweerder.
Voorzover het gehandhaafde verzoek om voorlopige voorziening connex is met het aldus tot bezwaarschrift getransformeerde beroepschrift in de zaak AWB 07/473 acht de voorzieningenrechter het geraden om, alvorens de behandeling van dat verzoek om voorlopige voorziening voort te zetten, verweerder eerst in de gelegenheid te stellen binnen twee weken na heden een schriftelijke reactie op dat verzoek in te dienen. Daartoe zal het verzoek in zoverre voor de duur van twee weken worden aangehouden.
Gelet op het dienaangaande bepaalde bij artikel 8:83, derde lid, van de Awb, kan derhalve uitspraak worden gedaan zonder partijen uit te doen nodigen voor een zitting.
De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.
3. De beslissing
De voorzieningenrechter:
- verklaart het verzoek om voorlopige voorziening, voorzover betrekking hebbende op het beroep voorzover zich dat richt tegen
een schriftelijk besluit van verweerder strekkende tot het niet overgaan tot intrekking van zijn, in het lichaam van de uitspraak
bedoelde, besluiten van 10 november 2004 en 22 december 2006, niet-ontvankelijk;
- houdt de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening voor het overige aan tot 30 augustus 2007.
Aldus gewezen door mr. R.R. Winter, in tegenwoordigheid van mr. S.F.E. Raeven als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2007.
w.g. R.R. Winter w.g. S.F.E. Raeven