ECLI:NL:CBB:2007:BB0412
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- H.C. Cusell
- W.E. Doolaard
- M.J. Kuiper
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing van belanghebbendebegrip bij weigering vergunning speelautomatenhal
Appellante, een verhuurder van bedrijfspanden die deze onderverhuurde aan C Holding B.V., stelde zich op het standpunt dat zij als huurster een rechtstreeks belang had bij de weigering van een vergunning voor een speelautomatenhal aan C. Verweerder had het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard omdat zij geen rechtstreeks belanghebbende was bij het besluit van 23 december 2004 om de vergunning aan C te weigeren.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, maar de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State vernietigde deze uitspraak en verwees de zaak naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Het College overwoog dat het belang van appellante slechts indirect en afgeleid was, omdat het besluit uitsluitend gevolgen had via de privaatrechtelijke relatie met C.
Appellante voerde aan dat zij door het beleid van de gemeente en haar investeringen in vertrouwen op dat beleid rechten had die beschermd moesten worden, onder meer op grond van het EVRM en de Déclaration des droits de l'homme et du citoyen. Het College verwierp deze argumenten en wees erop dat appellante zelf een vergunning kan aanvragen indien zij gerechtigd is tot exploitatie.
Het beroep werd uiteindelijk ongegrond verklaard, waarbij het College ook opmerkte dat er geen gronden waren voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard omdat zij geen rechtstreeks belanghebbende is bij het besluit tot weigering van de vergunning aan haar huurder.