3. Het standpunt van appellante
Appellante heeft zich in meergenoemde brief en ter zitting - samengevat weergegeven - op het volgende standpunt gesteld.
Appellante heeft aangevoerd dat verweerder zich schuldig maakt aan een gekwalificeerde schending van het gemeenschapsrecht. Immers, het arrest maakt duidelijk dat de beoordelingsmarge die de inspecteur heeft onder artikel 2.24, eerste lid van de Regeling handel en keuring dierlijke producten (hierna: Regeling) niet bestaat en dat wanneer in een partij producten een substantie wordt aangetroffen die in bijlage IV van de verordening wordt genoemd, deze partij moet worden vernietigd. Tegelijkertijd bepaalt artikel 19, lid 2, onder a, van verordening (EEG) 882/2004 evenwel dat wanneer officiële controles uitwijzen dat een zending negatieve gevolgen heeft voor de gezondheid van mens of dier of onveilig is, de betrokken zending door de bevoegde autoriteit in officiële bewaarneming (wordt) geplaatst in afwachting van vernietiging of elke andere passende maatregel om de gezondheid van mens en dier te beschermen. Het is onmogelijk om ten aanzien van dezelfde partij producten zowel recht te doen aan de verplichting op grond van artikel 2.24, eerste lid, van de Regeling - zijnde de implementatie van artikel 22, lid 2, van richtlijn 97/78/EG - om onmiddellijk over te gaan tot vernietiging van die partij, als aan de gebondenheid op grond van verordening (EEG) 882/2004 om de mogelijkheid te bieden (naast vernietiging) andere passende maatregelen te nemen.
Deze “juridische spagaat” doet zich voor sinds de inwerkingtreding van evengenoemde verordening op 1 januari 2006. Appellante is van mening dat het College het Hof van Justitie opnieuw zal moeten benaderen met een prejudiciële vraag teneinde hieraan, en aan het gevaar dat daaruit voortvloeit voor het functioneren van de EU-markt, een einde te maken.
Voorts acht appellante de Staat der Nederlanden verantwoordelijk voor alle schade die zij heeft geleden.
Appellante stelt in dit verband dat artikel 2.24, eerste lid, van de Regeling, gelet op bijlage IV bij verordening (EEG) 2377/90 en het arrest van het Hof, ten onrechte een keuzevrijheid voor de bevoegde autoriteiten bevat. De wetgever heeft richtlijn 90/675/EEG en richtlijn 97/78/EG op onjuiste wijze in de nationale rechtsorde geïmplementeerd en zich daarmee schuldig gemaakt aan onrechtmatige wetgeving. Dit betekent dat sprake is van een onrechtmatige overheidsdaad en, vanwege strijd met een hogere regeling van gemeenschapsrecht, van gekwalificeerde schending van het gemeenschapsrecht. De Staat is mitsdien gehouden tot het betalen van een schadevergoeding. Ook heeft appellante recht op schadevergoeding omdat artikel 2.24 van de Regeling rechtsgevolg ontbeert.
Concluderend stelt appellante dat de Staat gehouden is tot het vergoeden van alle schade die het gevolg is geweest van het vernietigen van de partijen eendenborst. Daarnaast bestaat de verplichting tot vergoeding van de samengestelde rente. Voorts is van belang dat de kosten van juridische bijstand deel uitmaken van de wegens onrechtmatige daad te vergoeden schade. Appellante is van mening dat zij in aanmerking komt voor een integrale vergoeding van de proceskosten op de voet van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Immers, appellante zou niet zijn gaan procederen indien de overheid zijn werk wel goed zou hebben gedaan en in artikel 2.24, eerste lid, van de Regeling duidelijk zou zijn gemaakt dat producten die een substantie bevatten die voorkomt op de lijst van bijlage IV bij de verordening, imperatief in beslag moeten worden genomen en moeten worden vernietigd.
Bovendien is appellante van mening dat onderhavige vordering moet worden beoordeeld aan de hand van de gemeenschapsregeling die het Hof van Justitie heeft ontwikkeld in zijn rechtspraak. Het gaat immers in onderhavig geval om een gekwalificeerde schending van het gemeenschapsrecht. Voorts is van belang dat het College de rente die is gederfd ten gevolge van een onrechtmatige overheidsdaad nadrukkelijk aanmerkt als schade. Ook het Europese Hof voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden beschouwt proceskosten als onderdeel van schade die worden geleden bij een inbreuk op het Verdrag of de bijbehorende Protocollen. Tevens merkt het Hof van Justitie in vaste rechtspraak het recht op schadevergoeding wegens een schending van het gemeenschapsrecht aan als “een even fundamenteel beginsel van gemeenschapsrecht als dat van de voorrang van het gemeenschapsrecht of van rechtstreekse werking”. Tot slot wijst appellante op de omstandigheid dat tussen de lidstaten grote verschillen bestaan ten aanzien van de vraag of de proceskosten al dan niet deel uitmaken van de invorderbare kosten, welke verschillen dusdanig zijn dat dit tot rechtsongelijkheid zal leiden.