4. Het standpunt van Maaned in hoger beroep
In de kern komen de bezwaren van Maaned tegen de primaire besluiten erop neer, dat de commissie niet in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat geen van de aanvragers voor kavel B4 significant uitstijgt boven het aanbod van de anderen. Maaned acht deze beslissing niet transparant, onbegrijpelijk en ondeugdelijk gemotiveerd, nu haar programmatische aanbod significant boven dat van de anderen uitstijgt en derhalve – als enige – met een "+" had moeten worden gewaardeerd. Maaned heeft daartoe, samengevat weergegeven, het volgende aangevoerd.
4.1 Onder verwijzing naar vraag nr. 174 van de vraag- en antwoordprocedure, stelt Maaned dat haar station You FM zich voor 100% op de regio richt, doordat (-) minimaal 15 keer per uur de naam van het gebied waarop het programma is gericht, Amsterdam, wordt genoemd; (-) de radioprogramma's van You FM Amsterdam uitsluitend voor Amsterdam worden gemaakt en niet daarbuiten worden uitgezonden; (-) geen enkel onderdeel van het radioprogramma wordt betrokken van derden buiten de Amsterdamse markt of nogmaals buiten Amsterdam wordt uitgezonden, en (-) op grond van de voorgaande drie punten uitsluitend Amsterdammers c.q. luisteraars in Amsterdam hun verzoeknummers kunnen doorgeven aan de radio jukebox van YOU FM Amsterdam.
4.2 Ten onrechte heeft de commissie bij de uitvoering van de vergelijkende toets het door Maaned geboden percentage afgewaardeerd tot het percentage dat door de anderen is geboden, tussen de 21% en 33%. De commissie heeft hiertoe ook niet de bevoegdheid, omdat in het geval de vergunning wordt verleend, naderhand zal worden gehandhaafd op de in de aanvraag geboden percentages. Maaned verwijst in dit verband naar het voorbeeld van Magic FM en Several Media, waarvan de commissie ook het geboden percentage had afgewaardeerd tot 10 à 30%, om dezelfde redenen als dat van Maaned is afgewaardeerd. Het bod is evenwel een vaststaand gegeven dat door de commissie voor kennisgeving moet worden aangenomen. In ieder geval mag de commissie niet uit eigen beweging de geboden percentages verlagen.
4.3 Daarbij is de afwaardering van het geboden percentage door de commissie volgens Maaned op een niet transparante en onbegrijpelijke wijze geschied. Kennelijk is de aanvraag van Maaned gelijkwaardig aan die van de andere aanvragers wat betreft regiogerichtheid, maar de commissie laat na om te motiveren waaruit de regiogerichtheid van het programma van Maaned bestaat, indien het interactieve karakter van de programmering daarin geen rol speelt. Voorzover de minister heeft aangevoerd dat de aanvragen te veel van elkaar verschillen om ze met elkaar te kunnen vergelijken en dat daarom afwaardering van haar aanvraag onontkoombaar was, stelt Maaned zich op het standpunt dat dit onjuist is, reeds omdat de aanvragers zo ongelijk zijn wat betreft de landelijke gerichtheid van de overige aanvragers ten opzichte van de strikt regionale gerichtheid van Maaned. Ter zitting heeft Maaned in dit verband nog gewezen op het advies dat de commissie heeft uitgebracht vóór de verdelingsprocedure en waarin de commissie voorstelde om de in de Regeling AGF neergelegde criteria inhoudelijk te verduidelijken en uit te werken in de vorm van meetbare criteria. Ook hieruit blijkt volgens Maaned, dat voorafgaande aan de verdelingsprocedure niet duidelijk was wat precies onder regiogerichtheid diende te worden verstaan. De wijze waarop de commissie en, in navolging daarvan, de minister, aan dit begrip uiteindelijk invulling hebben gegeven zonder objectieve criteria, is derhalve niet transparant, ongemotiveerd en onzorgvuldig.
4.4 Ook is de rechtbank ten onrechte voorbijgegaan aan de argumenten van Maaned over de vraag hoe artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling AGF moet worden uitgelegd. Maaned heeft erop gewezen dat het doel van de specifieke voorschriften voor de niet-landelijke commerciële radio-omroepen voortkomt uit de wens om tussen de landelijke en niet-landelijke radio-omroepen een duidelijk scheiding aan te brengen. Daarom, en op grond van een teleologische en logische uitleg, dient het begrip "regiogericht" zo te worden uitgelegd, dat de actieradius van een niet-landelijke radio-omroep is beperkt tot een bepaalde regio en de omroep zelf ook de intentie heeft om uitsluitend voor de regio radioprogramma's te verzorgen. Dat het doel is geweest om lokale ondernemingen te stimuleren, blijkt volgens Maaned ook uit de toelichting op de artikelen 7 en 8 van de Regeling AGF. Gelet op artikel 82e, tweede lid, van de Mediawet, waarnaar in deze toelichting wordt verwezen, heeft de minister zich bij de beoordeling van het programmatisch voornemen van Maaned dan ook ten onrechte beperkt tot de inhoud of aard van het programma, in plaats van in beschouwing te nemen dat Maaned zich wat betreft de doelgroep uitsluitend op de regio richt. De rechtbank heeft ten onrechte, zonder nader onderzoek, met de uitleg van de minister ingestemd. Voorts is ten onrechte eraan voorbijgegaan dat Maaned uitsluitend een bod voor kavel B4 heeft gedaan, waaruit eens te meer de regiogerichtheid van Maaned blijkt, nu zowel het bedrijfsplan als het programmatisch voornemen geheel op Amsterdam is gericht.
4.5 Maaned heeft in dit verband nog gewezen op het convenant dat is gesloten tussen het Commissariaat voor de Media en het Agentschap Telecom inzake het toezicht op de naleving van de voorschriften door de radio-omroepen. In bijlage IIb van dit convenant, dat volgens Maaned is gebaseerd op de vraag- en antwoordprocedure, worden begripsbepalingen gegeven, waaronder het begrip "regiogerichtheid". In deze bijlage staat een niet-limitatieve lijst van wat onder regiogerichte programmering moet worden verstaan. In de ogen van Maaned is deze lijst evenwel onvolledig en inconsistent en is regiogerichtheid geen gemene deler van de daar gegeven voorbeelden. Ook hieruit blijkt weer dat niet duidelijk is wat hieronder moet worden verstaan. In ieder geval is de door de rechtbank gehanteerde uitleg restrictiever dan deze lijst dan wel daarmee in strijd.