ECLI:NL:CBB:2006:AZ3702
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- M.A. van der Ham
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vergoeding schade voer na ruiming pluimveebedrijf op grond van Gezondheids- en welzijnswet voor dieren
Appellant heeft beroep ingesteld tegen een besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit waarin een verzoek om vergoeding van schade aan voer in silo's, veroorzaakt door de ruiming van zijn pluimveebedrijf wegens Aviaire Influenza, werd afgewezen. De ruiming was gebaseerd op de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (Gwd). Verweerder stelde dat de schade niet voor vergoeding in aanmerking kwam omdat het voer niet onschadelijk was gemaakt, maar onbruikbaar werd doordat het niet meer aan het pluimvee kon worden verstrekt.
Het College oordeelde dat appellant niet tijdig bezwaar had gemaakt tegen het besluit tot verdachtverklaring en ruiming, waardoor dit besluit in rechte onaantastbaar was. De schadepost betreffende de eiertrays was reeds eerder ongegrond verklaard en niet meer aan de orde. De schade aan het voer viel niet onder de artikelen 86 of 90 Gwd, maar verweerder had op grond van artikel 91 Gwd Pro een discretionaire bevoegdheid om bijzondere gevallen te vergoeden.
Het College stelde vast dat verweerder zich redelijkerwijs op het standpunt kon stellen dat de schade aan het voer een normaal ondernemersrisico betrof en daarom niet voor vergoeding in aanmerking kwam. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en een tegemoetkoming in proceskosten werd afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van vergoeding voor schade aan voer in silo's wordt ongegrond verklaard.