ECLI:NL:CBB:2006:AV1539
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proceskostenveroordeling
- C.J. Borman
- H.A.B. van Dorst–Tatomir
- M.J. Kuiper
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke uitspraak over compenserende heffing bij ontduiking minimuminvoerprijs rozijnen
Appellante, Catz International B.V., voerde beroep in tegen twee besluiten van de Belastingdienst waarin compenserende heffingen werden opgelegd wegens het niet naleven van de minimuminvoerprijs (MIP) voor rozijnen uit Turkije in 1996. Het geschil betrof de vraag of appellante terecht werd aangeslagen voor deze heffingen en of de heffingen voldoende waren gemotiveerd.
Uit het FIOD-onderzoek en diverse verklaringen bleek dat appellante met Turkse leveranciers afspraken had gemaakt om de MIP te ontduiken door hogere facturen te laten opstellen en het verschil via cheques te verrekenen, die niet correct in de administratie werden verwerkt. Appellante erkende enige ontduiking, maar betwistte dat dit ook gold voor de aangiften in het laatste kwartaal van 1996. Zij voerde aan dat de boekingen op grootboekrekening 329800 verband hielden met een arbitragezaak uit 1989.
Het College concludeerde dat appellante zich inderdaad schuldig had gemaakt aan ontduiking van de MIP en dat het bedrag van fl. 437.001,00 op de grootboekrekening niet aannemelijk was toe te schrijven aan de arbitragezaak, maar samenhing met de ontduikingsconstructie. Het beroep tegen de heffing met kenmerk 0018.41.890/00.7.0002 werd gegrond verklaard en het besluit vernietigd, waarbij een lagere heffing werd vastgesteld. Het beroep tegen de andere heffing werd ongegrond verklaard. Verweerder werd veroordeeld tot betaling van proceskosten aan appellante.
Uitkomst: Het beroep tegen één van de compenserende heffingen wordt gegrond verklaard en vernietigd met vaststelling van een lagere heffing, het andere beroep wordt ongegrond verklaard.