ECLI:NL:CBB:2005:AU5649
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proceskostenveroordeling
- W.E. Doolaard
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke geschil over terugvordering EG-akkerbouwsubsidie wegens verwevenheid bedrijven
Appellanten, A en B BV, voerden bezwaar tegen besluiten van de Minister van Landbouw waarin eerdere subsidies voor akkerbouwgewassen over 1999 en 2000 werden ingetrokken en teruggevorderd. A exploiteerde een akkerbouwbedrijf en B BV een gemengd varkens- en akkerbouwbedrijf op hetzelfde adres, waarbij A voor 60% eigenaar was van B BV. Subsidies waren toegekend op basis van gescheiden bedrijven, maar verweerder stelde dat sprake was van verwevenheid en slechts een administratieve scheiding.
Het College stelde vast dat A de meerderheid van de aandelen in B BV bezit en dat de productiemiddelen eigendom zijn van B BV, terwijl A de geproduceerde maïs aan B BV levert voor veevoer. Hierdoor kon A niet als zelfstandig producent worden aangemerkt volgens de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen. De terugvordering van subsidies was verplicht op grond van Europese verordeningen, ongeacht nationale rechtsbeginselen zoals formele rechtskracht of vertrouwensbeginsel.
Het College vernietigde de besluiten voor zover ingediend door B BV wegens onontvankelijkheid, maar verklaarde de beroepen van A ongegrond. De kosten werden deels aan verweerder opgelegd. Het oordeel benadrukt de voorrang van Europees recht bij subsidieregelingen en de strikte toepassing van de definitie van producent binnen het EG-steunstelsel.
Uitkomst: De beroepen van A worden ongegrond verklaard en de subsidies terecht teruggevorderd wegens verwevenheid met B BV.