ECLI:NL:CBB:2005:AU4647
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- B. Verwayen
- M.A. Fierstra
- J.L.W. Aerts
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid verdachtverklaring en doding pluimvee bij aviaire influenza-uitbraak
Appellante, eigenaar van een pluimveebedrijf, maakte bezwaar tegen het besluit van de Minister van Landbouw om haar dieren verdacht te verklaren van aviaire influenza (AI) en deze te doden. Dit besluit volgde op een reeks uitbraken van AI in Nederland in 2003, waarbij beschermingsgebieden werden ingesteld om verspreiding tegen te gaan.
De Minister had op grond van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (Gwd) en het Besluit verdachte dieren (Bvd) de dieren van appellante als verdacht aangemerkt omdat zij zich binnen een beschermingsgebied bevonden waar het virus aanwezig was of kon zijn verspreid. Appellante betwistte dat haar dieren in de gelegenheid waren geweest besmet te worden en voerde aan dat de motivering voor de verdachtverklaring onvoldoende inzichtelijk was.
Het College oordeelde dat de Minister zich in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat de dieren in het beschermingsgebied Nederweert in de gelegenheid waren geweest besmet te worden, mede gelet op de hoge besmettelijkheid van het virus, de pluimveedichtheid en de verspreiding van het virus in nabijgelegen gebieden. De nadere motivering in het verweerschrift was niet in strijd met het bestreden besluit. Het beroep werd ongegrond verklaard omdat de Minister terecht en op goede gronden de bestrijdingsmaatregelen had genomen.
Het College vond geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en bevestigde dat de nationale maatregelen niet in strijd waren met Europese regelgeving, die minimumnormen stelt maar aanvullende nationale maatregelen toestaat.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen de verdachtverklaring en doding van haar pluimvee wordt ongegrond verklaard.