4. De beoordeling van het geschil
In het verweerschrift heeft verweerder erop gewezen dat het bezwaar tegen de uitnodiging tot betaling d.d. 29 december 1999 ten onrechte ontvankelijk is geacht. Wegens termijnoverschrijding had dit bezwaar niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.
Het College overweegt hieromtrent dat appellante geen redenen heeft aangegeven die de termijnoverschrijding verschoonbaar doen zijn, zodat het beroep op dit onderdeel gegrond moet worden verklaard en het bezwaar tegen de uitnodiging tot betaling d.d. 29 december 1999 alsnog niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Naar aanleiding van de grieven van appellante overweegt het College het volgende.
4.1 Appellante heeft allereerst aangevoerd dat de omstandigheid dat Intermedium aan de douane bij invoer een factuur van Forever Footwear heeft overgelegd waarop vermeld staat dat de goederen FOB HCM CITY (Vietnam) zijn verscheept, maar waar ook op vermeld staat "the goods are of Chinese origin", niet uitsluit dat de leverancier bedoeld heeft dat onderdelen van de schoenen van Chinese origine zijn en dat ze in Vietnam zijn geassembleerd.
Het College overweegt dat verweerder zich met name heeft gebaseerd op het feit dat de Vietnamese autoriteiten de certificaten van oorsprong als vals hebben aangemerkt. Een assemblage in Vietnam is daarmee niet in overeenstemming. Ook overigens acht het College het onwaarschijnlijk dat onderdelen van schoenen vanuit China naar Vietnam worden getransporteerd ten einde daar te worden geassembleerd, om vervolgens weer naar China terug te worden getransporteerd en daar te worden verscheept. Daar komt bij dat appellante de bevindingen in het rapport van de Vietnam-missie over de bezochte bedrijven niet heeft weersproken, zodat assemblage ook om die reden moet worden uitgesloten. De grief kan dan ook niet tot het door appellante gewenste doel leiden.
4.2 Appellante heeft voorts bestreden dat het valselijk voorwenden van de oorsprong is geschied op instigatie van de importeur.
Deze grief behoeft geen bespreking, aangezien slechts van belang is of appellante wist of redelijkerwijze had moeten weten dat de door haar aan de aangever ten behoeve van de aangiften verstrekte gegevens verkeerd waren. Die kwestie wordt hierna onder 4.3 behandeld.
4.3 Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder niet heeft aangetoond dat zij wist of redelijkerwijze had moeten weten dat de gegevens die zij heeft verstrekt verkeerd waren. Hieraan heeft zij toegevoegd dat uit niets blijkt dat haar grove schuld dan wel opzet wordt verweten, want, als dat het geval was geweest, een boete zou zijn opgelegd dan wel een strafrechtelijke vervolging zou zijn ingesteld.
Met dit betoog stelt zij de toepassing van het bepaalde in artikel 54 van het Douanebesluit aan de orde. Met dit artikel, dat is gebaseerd op artikel 3 van de Douanewet in verbinding met de artikelen 1, vierde lid, en 2, tweede lid, van de Douanewet, zijn de nationale bepalingen gegeven als bedoeld in artikel 201 lid 3 van het CDW.
Het College overweegt allereerst dat grove schuld of opzet geen vereisten zijn voor het aannemen van wetenschap of het redelijkerwijze hebben kunnen weten dat verstrekte gegevens verkeerd waren. Wat die wetenschap betreft, heeft verweerder naar het oordeel van het College terecht de fax van Footsun Group aan Intermedium als bewijs daarvoor aangemerkt. Het verweer van appellante dat de fax niet aan haar, maar aan haar zustermaatschappij in Hong Kong was gericht, kan haar niet baten, aangezien ervan moet worden uitgegaan dat de zustermaatschappij de in de fax vermelde gegevens aan appellante heeft overgebracht. Het ging immers niet om door de zustermaatschappij zelfstandig ten behoeve van andere opdrachtgevers bestelde goederen, maar om goederen die door appellante waren besteld. Het College acht het uitermate onwaarschijnlijk dat de zustermaatschappij de betreffende informatie, die voor appellante van wezenlijk belang was, niet aan haar heeft doorgegeven, zodat ervan moet worden uitgegaan dat appellante de wetenschap had dat de goederen niet uit Vietnam, maar uit China werden verscheept. Het College verwerpt derhalve de voorgedragen grief.
4.4 Appellante heeft met een beroep op artikel 220, tweede lid onder b, CDW gesteld dat geen invordering van rechten kan plaatsvinden daar de onjuiste afgifte van de betreffende certificaten te wijten is aan een vergissing van de bevoegde autoriteiten zelf zoals bedoeld in dit artikel en belanghebbende aan de overige eisen van artikel 220, tweede lid, CDW heeft voldaan; met de bevoegde autoriteiten worden in casu bedoeld de bevoegde autoriteiten in Vietnam, de Europese Commissie en de Nederlandse overheid (Ministerie van Economische Zaken en Ministerie van Financiën).
Deze stelling moet worden verworpen. Verweerder heeft vastgesteld dat de goederen uit China komen en om die reden aan antidumpingheffing zijn onderworpen. Appellante komt ten aanzien van die heffing geen beroep toe op artikel 220, tweede lid, CDW, omdat geen sprake is van door de Chinese autoriteiten afgegeven certificaten. Een beroep op dat artikel zou enkel aan de orde kunnen komen bij de (naheffing of terugvordering van) tarieven die rechtstreeks op de betreffende certificaten zijn gebaseerd.
4.5 Appellante heeft voorts naar voren gebracht dat zij op grond van artikel 80 TCDW erop mocht vertrouwen dat de bevoegde autoriteiten in Vietnam hun taken uitvoeren om de nodige maatregelen te treffen teneinde de oorsprong van de producten en de overige vermeldingen op het certificaat te controleren.
Ook deze stelling faalt aangezien in dit geding betreffende de antidumpingheffing ten aanzien van goederen uit China niet gebleken is dat genoemde autoriteiten in enig opzicht tekort geschoten zijn. Het feit dat valse of vervalste certificaten in omloop zijn, kan niet als bewijs daarvoor gelden.
4.6 Appellante heeft gesteld dat, gelet op de (handels)politieke druk van de Europese Commissie, de grote aantallen schoenen en de korte onderzoeksperiode (2 weken) van de missie in Vietnam, het onderzoek in Vietnam niet objectief is geweest.
Het College verwerpt deze stelling, aangezien uit de gedingstukken geen oneigenlijke politieke druk blijkt, terwijl niet onaannemelijk is dat twee weken onderzoek voldoende waren om tot verantwoorde uitspraken te komen. Het College tekent hierbij aan dat appellante de feitelijke bevindingen van de onderzoekscommissie over de door haar bezochte ondernemingen niet heeft bestreden. Ter zitting heeft zij slechts in algemene bewoordingen aangegeven dat de bevindingen haars inziens geen volledig bewijs opleveren, maar zij heeft nagelaten deze twijfel met documenten of verklaringen te onderbouwen.
4.7 Appellante heeft voorts gesteld dat de Europese Commissie ernstig tekort is geschoten in haar verplichtingen die voortvloeien uit artikel 211 (155 oud) EG-verdrag. Analoog aan het "Eyckeler & Malt" arrest had de Europese Commissie volgens appellante al in 1997 aan de belanghebbende economische rechtssubjecten in de Gemeenschap (de aangevers en importeurs) moeten meedelen dat er onregelmatigheden waren geconstateerd ten aanzien van de naleving van de oorsprongsregels in Vietnam. Dit verzuim van de zijde van de Europese Commissie ontneemt aan de uitnodigingen tot betaling iedere rechtsgrond.
Het College is van oordeel dat deze grief reeds faalt, omdat de in geding zijnde zendingen van maart 1997 zijn. Niet gebleken is dat de Commissie toen al zodanig duidelijke aanwijzingen voor het gebruik van valse certificaten had dat zij het bedrijfsleven hiervoor had kunnen of zelfs moeten waarschuwen.
4.8 Appellante heeft aangevoerd dat de Europese Commissie heeft erkend dat het niet tijdig in kennis stellen van importeurs in het verleden een lacune in haar handelen is geweest. De Europese Commissie heeft het Besluit van de Raad betreffende de boeking achteraf van de douaneschuld d.d. 28 mei 1996 (96/C170/01) niet correct uitgevoerd door nu alsnog de douaneschuld aan de economische subjecten in de Gemeenschap aan te rekenen. De Europese Commissie heeft volgens appellante in deze dan ook onrechtmatig gehandeld.
Deze grief stuit af op hetgeen hiervoor onder 4.7 is overwogen. Het College overweegt voorts dat, anders dan bij genoemd Besluit van de Raad, de gestelde onregelmatigheden in deze zaak niet het gevolg zijn van besluiten van de autoriteiten van derde landen, aangezien de aan de orde zijnde certificaten vals zijn bevonden.
4.9 Appellante heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de Europese Commissie artikel 27 (29 oud) sub a. jo. sub d. EG-verdrag heeft geschonden, hetgeen de navorderingen onrechtmatig maakt. In haar toelichting bij deze grief heeft zij gesteld dat door de navordering van rechten bij invoer de handel tussen de lidstaten en Vietnam niet wordt bevorderd en dat door de navordering van deze rechten het economische leven, met name dat van de betrokken douane-expediteurs en importeurs, ernstig wordt verstoord.
Het College verwerpt deze grief. Verweerder heeft terecht naar voren gebracht dat juist het zorgen voor een goede naleving van het systeem van algemene preferenties en van de antidumpingheffingen goed is voor het concurrentievermogen en het voortbestaan van de industrie in de Gemeenschap en voor de eerlijke handel.
4.10 Appellante heeft verweerder verweten dat is verzuimd de Vietnamese autoriteiten, krachtens artikel 201 lid 3 CDW jo. 213 CDW als hoofdelijk schuldenaar aan te spreken; deze nalatigheid is strijdig met de beginselen van artikel 10 (5 oud) EG-verdrag en strijdig met het rechtszekerheidsbeginsel.
Ook deze grief stuit af op de omstandigheid dat in dit geding enkel de rechtmatigheid van de antidumpingheffingen aan de orde is. Overigens is niet gebleken dat de Vietnamese autoriteiten bemoeienis hebben gehad met de afgifte van de onderhavige formulier A, zodat Vietnam reeds daarom niet kan worden aangesproken.
4.11 Appellante heeft gesteld dat de nalatigheid van de Nederlandse overheid om het bedrijfsleven tijdig in kennis te stellen van de onregelmatigheden strijdig is met de beginselen van behoorlijk bestuur en met het arrest van de Hoge Raad van 8 juli 1996; tevens handelt de Nederlandse overheid volgens haar, analoog aan het bepaalde in overweging 32 van het arrest van het Hof van Justitie C-366/95, in strijd met de beginselen van artikel 10 (5 oud) EG-verdrag.
Het College verwerpt de stelling van appellante. Verweerder heeft terecht opgemerkt dat de aangevers sinds 1 juli 1997 op de hoogte waren van het feit dat aangeboden formulieren A ter controle achteraf (post verificatie) werden ingezonden naar Vietnam om de echtheid te verifiëren, dat belanghebbenden weten dat de uitslag van zo'n onderzoek financiële gevolgen kan hebben voor wat betreft de gevraagde preferentie, en dat waarschuwingen naar aanleiding van een ontvangen AM-melding onder de verantwoordelijkheid van de (Europese) Commissie vallen. Voor zover appellante meent dat voor de Nederlandse overheid al in maart 1997 een dergelijke waarschuwingsplicht gold, wordt verwezen naar hetgeen onder 4.7 is overwogen.
4.12 Appellante heeft naar voren gebracht dat het recht van verdediging is geschonden, omdat zij niet over dezelfde documentatie (waaronder de complete onderliggende missierapporten) beschikt als verweerder. Naar aanleiding van de passage in de beschikking van 12 november 2004, waarin is overwogen dat het College betekenis heeft toegekend aan de openbaarmaking van de voor appellante relevante gedeelten van het rapport, waardoor in voldoende mate aan de – processuele – belangen van appellante is tegemoet gekomen, heeft appellante hieraan het volgende toegevoegd. De geanonimiseerde versie van het rapport bevat slechts informatie van twee exporteurs, terwijl appellante gebruik heeft gemaakt van meerdere exporteurs die zijn onderzocht maar die in het rapport zijn geanonimiseerd. Daardoor acht appellante het niet mogelijk om de voor haar relevante informatie die in het complete rapport ten aanzien van deze exporteurs is vermeld, op juistheid te verifiëren.
Het College merkt allereerst op dat het in de brief van appellante van 3 december 2004 niet heeft gelezen dat appellante ermee instemt dat het College mede op grond van het als vertrouwelijk aangemerkte rapport beslist. Het College moet er derhalve van uitgaan dat de gevraagde instemming niet is gegeven, zodat de meervoudige kamer van het College die thans op de zaak beslist, geen kennis heeft genomen van dit rapport – anders dan de geanonimiseerde versie ervan die appellante zelf in het geding heeft gebracht.
Voorts merkt het College op dat verweerder heeft medegedeeld dat van de missie naar Hong Kong geen onderzoeksrapport is gemaakt vanwege de OLAF. Het College heeft geen reden hieraan te twijfelen. Dit betekent dat het bezwaar van appellante alleen betrekking kan hebben op het OLAF-rapport betreffende de missie naar Vietnam.
De grief die appellante in het bijzonder heeft aangevoerd, is dat zij de in het rapport opgenomen informatie betreffende andere exporteurs dan de twee die niet geanonimiseerd zijn, niet op juistheid kan verifiëren. Onder de gedingstukken bevindt zich echter ook een rapport van de Economische Controledienst (ECD), opgesteld door de vertegenwoordiger van Nederland die aan de missie naar Vietnam heeft deelgenomen. Dit rapport bevat gedetailleerde informatie betreffende 15 bezochte bedrijven, met steeds opgenomen de naam van het bedrijf, het adres, de personen van de missie die het bezoek hebben afgelegd, de datum van het bezoek, de verantwoordelijke persoon van het bedrijf met wie gesproken is, een samenvatting van hetgeen die persoon heeft verklaard en een samenvatting van hetgeen de missieleden hebben waargenomen. Naar het oordeel van het College heeft appellante hiermee tal van aanknopingspunten gekregen om de bevindingen te verifiëren. Het College kan niet geheel uitsluiten dat het OLAF-rapport toch nog extra informatie bevat, die appellante – als zij daarvan kennis had – zou kunnen gebruiken om haar standpunt dat de bestreden besluiten vernietigd moeten worden, nader te onderbouwen.
Appellante heeft het College echter de gevraagde toestemming onthouden om mede op de grondslag van dit rapport uitspraak te doen. Gelet daarop kan het College slechts vaststellen dat de enkelvoudige kamer van het College heeft geoordeeld dat geheimhouding van het OLAF-rapport gerechtvaardigd is. Derhalve moet worden aangenomen dat appellante door die geheimhouding en door het feit dat het College op basis van de overige stukken uitspraak doet, niet onevenredig benadeeld wordt. Appellantes betoog dat zulks wel het geval zou zijn, wordt dan ook verworpen.
Op grond van het vorenstaande moet deze grief van appellante worden verworpen.
4.13 Appellante heeft gesteld dat de oorsprong van de schoenen dient te worden vastgesteld op basis van de geldende oorsprongsregels en niet aan de hand van bescheiden.
Het College is niet gebleken dat verweerder de geldende oorsprongsregels niet of niet correct heeft toegepast. Voor het overige staat het verweerder vrij om onderzoek naar de herkomst van de goederen te doen en de resultaten van dit onderzoek bij zijn besluitvorming te betrekken. Het College acht de combinatie van valse Vietnamese documenten en de rapporten van de missies naar Vietnam en Hong Kong voldoende om te concluderen tot Chinese oorsprong. Het College heeft voorts moeten vaststellen dat appellante geen enkel van de in de rapporten vermelde feiten serieus heeft bestreden, terwijl zij geruime tijd de gelegenheid heeft gehad deze feiten te verifiëren. De grief faalt derhalve.
4.14 Om dezelfde reden faalt de grief dat verweerder niet heeft aangetoond dat de schoenen van oorsprong zijn uit China.
4.15 Appellante heeft aangevoerd dat zij, gelet op de handelswijze van de Inspecteur ten tijde van het indienen van de motivatie van het bezwaar, afspraak maken voor het hoorgesprek, bestudering van de door haar ingebrachte argumenten en de definitieve uitspraak op bezwaar, een bepaalde vooringenomenheid van de douane proeft, hetgeen in strijd is met artikel 2:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Het College heeft in de gedingstukken geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat verweerder zijn taak in strijd met het verbod van vooringenomenheid heeft vervuld. Dat hij in de bezwaarprocedure ook moeite heeft gedaan om argumenten te vinden om het eerder ingenomen standpunt te handhaven, is in het licht van de opzet van die procedure niet onjuist te achten.
4.16 Appellante heeft voorts betoogd dat verweerder niet zorgvuldig is geweest bij de beoordeling van de door haar ingediende bezwaarschriften, aangezien hij zijn mening heeft gebaseerd op het OLAF-rapport, zonder de door appellante aangedragen argumenten te onderzoeken. Appellante is van mening dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering (artikel 3:46 Awb).
Het College verwerpt dit betoog. Een besluit dient te berusten op een voldoende draagkrachtige motivering, waarbij niet in detail op ieder punt behoeft te worden ingegaan dat in bezwaar naar voren is gebracht. Indien, zoals in dit geval, zowel delen van een Europees rapport als twee Nederlandse rapporten voorhanden zijn, en deze in bezwaar niet of nauwelijks inhoudelijk worden bestreden, mag verweerder deze aan zijn besluit ten grondslag leggen. Nu appellante verder niet heeft onderbouwd welke van haar argumenten door verweerder niet zijn onderzocht, kan de juistheid van haar betoog ook overigens niet worden vastgesteld.
4.17 Ook haar volgende grief, dat verweerder bewijsmiddelen heeft overgelegd die niet zien op belanghebbende, waarmee hij in strijd heeft gehandeld met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel van artikel 3:2 van de Awb, heeft appellante niet onderbouwd, zodat ook deze grief moet worden verworpen.
4.18 Appellante heeft gesteld dat alleen aan de Nederlandse en Duitse importeurs anti-dumpingheffingen zijn opgelegd, waardoor zij zijn benadeeld ten opzichte van de importeurs in de andere lidstaten, hetgeen volgens appellante in strijd is met het EG-verdrag en de Europese douanewetgeving.
Het College overweegt dat deze stelling, ook als zij juist zou zijn, niet kan leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit. Het College overweegt daartoe dat verweerder als orgaan van de lidstaat Nederland verplicht is het gemeenschapsrecht toe te passen en derhalve heffingen op te leggen als dat door het gemeenschapsrecht gevorderd wordt. Als andere landen dat zouden verzuimen, is het aan de Commissie om daartegen op te treden. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel kan derhalve niet slagen.
4.19 Tenslotte heeft appellante gesteld dat Verordening (EG) nr. 2155/97 van de Raad tot instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van bepaald schoeisel met een bovendeel van textiel, van oorsprong uit de Volksrepubliek China en uit Indonesië, geen rechtsgrondslag heeft en derhalve onrechtmatig tot stand is gekomen. Meer in het bijzonder heeft zij gesteld dat de Raad de uitvoeringsbepalingen van de basisverordening nr. 384/96 in eigen hand heeft gehouden in plaats van deze, overeenkomstig artikel 145, derde streepje, EG-Verdrag (thans: artikel 202 EG) aan de Commissie over te laten. Dit had de Raad omstandig moeten motiveren in de considerans van deze Verordening, hetgeen niet is gebeurd, waardoor de Raad misbruik heeft gemaakt van zijn competentie.
Verweerder heeft gesteld dat de Raad wel degelijk bevoegd was. Mocht er toch een bevoegdheidsprobleem zijn, dan kan een particulier zich hier niet in rechte op beroepen.
Het College oordeelt als volgt. Wat verder zij van appellante's betoog inzake artikel 202 EG, uit de considerans bij de Verordening (EG) nr. 394/96 blijkt dat deze is gebaseerd op artikel 113 EG-Verdrag (thans artikel 133 EG). De in deze bepaling opgenomen procedure is gevolgd. De door appellante opgeworpen grief faalt derhalve.
4.20 Op grond van het vorenstaande dient het beroep gegrond te worden verklaard voor zover het betrekking heeft op de beslissing op het bezwaar tegen de uitnodiging tot betaling van 29 december 1999. Gelet op het vorenoverwogene kan verweerder bij het opnieuw op het bezwaar van appellante te nemen besluit niet anders doen dan overgaan tot niet-ontvankelijkverklaring daarvan. Het College ziet hierin aanleiding om, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, Awb, zelf in de zaak te voorzien.
Voor het overige dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 Awb.